Intro: Het boek Jan Cap, in naam van mijn klasse, EPO, 1987 is sinds jaar en dag ook gepubliceerd op www.marxists.org . Het is als 'eerste druk' in 2019 en als 'tweede druk' in 2021 opnieuw op papier uitgegeven door EPO, waar het, met een voorwoord door Peter Mertens kan besteld worden. Wie rechten kan doen gelden op de site-naam jancap.be kan zich richten tot info@jancap.be. Zie voor een goed begrip van het belang van de KWB (Kristelijke WerknemersBeweging, deel van het ACW, nu beweging.net), ook het Rode Boekje van de KWB (1963). Niet voor niets haalt Jan Cap 35 x de KWB aan en 7x de KAJ.

*
*   *

 

Jan Cap, In naam van mijn klasse, EPO, 1987
Berchem, Jan Cap, Imelda Haesendonck, JanVandeputte

 

 

Inhoudsopgave

I. Arbeider met christelijk engagement
  
      1. Ieder heeft een schaduw in het straatje achter zich
             De eerste stappen in de ‘christelijke Arbeidersbeweging’
             Bekaert: modelpatroon
  
   2. Horen, zien en zwijgen: maar hoe lang nog zwijgen?
             Spreken moet je leren
             De onvrijheid kan niet blijven duren
             Op zoek naar een nieuwe ondernemingsvorm
             KWB was onze school
      3. Horen, zien en ... spreken
             Ik heb me vrij geschreeuwd
             51 jaar op Boel en dan pas vrij...
             De Gentenaar
             De staking van 60-61
             Met de ideeën van de KWB naar de vakbond
            
Naar democratische verkiezingen: wij zijn de vakbond
             Van wie zijn de productiemiddelen?
            
Een straf die er geen was
             Het strijdsyndicalisme van Boel krijgt gestalte

II.
Arbeider en strijdsyndicalist
  
      4. Hoofddélégué: een lange weg om je principes te
            verwezenlijken
          Spontane acties wou ik ondersteunen, er een lijn in
             steken, leiding geven
          Het werk eist slachtoffers
          Alle rijkdom komt uit arbeid maar... wie heeft ze?
          De staking van ’71: een revolte voor veiligheid,
             gezondheid en gelijkheid
          Het eerste stakerscomité bij Boel
          En daar komt de wacht van de rijken
          Amada: geen liefde op het eerste gezicht
          
Een sociale bemiddelaar wil vooral sociale rust
          Tijd brengt raad
      5. Wij, Ali, op de Boelwerf
      6. Toneel als wapen: ‘De Barst’
           Het onaanvaardbare memorandum
           De verkiezingen van ’75
           De eenheidsvakbond op Boel
           De stapelloop die er niet kwam
      7. Werken op een werf of in een concentratiekamp
           2.000 Boelarbeiders begraven het fascisme
           Een bijbels verhaal
      8. Recht op staken en recht op arbeid
           Saverijs in staking tegen de arbeiders: de lock-out
            van ’77
      9. Het conclaaf van de kaders: Corsendonck
    10. De grote staking van ’81
           ‘Over mensen wordt niet gemarchandeerd’
          
50 arbeiders in een stakerscomité
           Radio Solidariteit
           Solidariteitsstaking van de hele metaalsector
          
De vrouwen
           Een volksbeweging komt op gang
           Wij willen een vakbond met een hart
           Zwarte dondag
    11. De vakbondsmoord
    12. Terug in de rij
           De lassers staken
          
Tegen het ‘harmoniemodel’: 300 arbeiders naar de
           rechtbank
 
III.
Van strijdsyndicalist tot marxist
  
    13.
Het kapitalisme biedt geen oplossing
           De cowboys werden multinationals
           Kun je tegen een deel van het kapitalisme
           zijn?
    14. Arbeiders en vakbeweging zijn geboren
           Een uitnodiging
           Problemen oplossen
           Antwoorden op de technologische revolutie
           Een vakbond voor de klassenstrijd
           De zakmesjes en de olifant
           Ideologische beschouwingen en schone principes
           De schuldtheorie naar onder toe
           Een vakbond met een hart
          
Terug naar de oorsprong
    15. Wat kan men in de klassenstrijd leren?
           Verzet maakt vrij
           De revue van de machten
           De wacht van de rijken
           De sociale bemiddelaar
           En dan de Ali's
          
Vrouwe Justitia
           'Onze' regering
          
Vijf man in een halfrond: het parlement
           Radio, tv en pers
           Antwoorden met een arbeiderspolitiek
           Vakbond en partij: twee organisaties, twee niveaus
    16. Toen leerde ik de PVDA kennen
           Een onverbreekbare band met de arbeiders
           Na zovele jaren praktijk wat kennis opdoen
         De balast over boord gooien
         Een partij van woord en daad
         Het einde van de vooroordelen tegen politiek
         De deskundigheid van de badmintonspeler
         Wij hebben een revolutionaire opstelling nodig
    17. Tot slot

IV. Woorden en daden
  
   Enkele foto's
  
1. Solidariteit...
   2. Eenheid ABVV-ACV
   3. Verdedigen van de délégués
   4. De acties
   5. Voor een democratische vakbeweging
   6. Voor een antikapitalistische vakbond
   7. KWB en nationale ACV-leiding metaal
   8. Nelen


Dit boek zou een eindwerk kunnen zijn.
Een thesis na 41 jaar gewerkt en geleefd te hebben.
Gewerkt en geleerd in de arbeiders-militantenfaculteit.
Deze thesis, een teken van tegenspraak
Een spiegelbeeld?
Te verdedigen of af te breken
Een boek, opgedragen aan allen
die mijn wegen doorkruist hebben
en waarvan ik alles geleerd heb
Aan de duizenden arbeiders
met wie ik samen heb gewerkt en gemiliteerd draag ik dit boek op.
Een pleidooi ter waardering van onze handen en onze geest
bron van alle ontwikkeling, vooruitgang en rijkdom
Rijkdom, maar voor wie die rijkdom?
Een credo van een zoekende

Jan Cap

I. Arbeider met christelijk engagement - Boven

‘Die heilboodschap, dat hiernamaals: ongrijpbaar, fascinerend. De waarden van het christendom bezielden en begeesterden ons hele denken en handelen.’

1. Ieder heeft een schaduw in het straatje achter zich - Boven

Ik groeide op voor en onder de oorlog. Mijn vader, een wever, moest naar Duitsland gaan werken. Mijn moeder bleef achter, met vier kleine kinderen, twee jongens en twee meisjes. Net zoals veel andere arbeidersgezinnen hadden we vaak niet genoeg te eten. Dat gevoel van honger zal ik nooit vergeten. Maar toch vonden we nog de tijd om te spelen, te leven, en de zorgen van onze moeder te vergeten. Mijn broer, die twee jaar ouder was, trok op met de welpen. Ze speelden in een groot bos, tussen de bomen, met de welpen, de akela’s en het hele jungleboek. Dat bos was zo groot, zo donker dat ik er als kleine jongen bang van werd, en tegelijk vreemd opgewonden. Maar ik was te klein, te jong, ik mocht niet met de welpen mee spelen. Elke week opnieuw liep ik mijn broer achterna. En elke week trok ik huilend weer naar huis. Tot op een bepaalde dag de leidsters het niet meer aan konden zien en ik mocht blijven. Ik was de jongste welp, en bovendien niet erg groot. Dus werd ik Mowgly. Het hele jungleboek werd mij al vlug zo vertrouwd als mijn eigen leven.

Later, bij de scouts had je meestal kinderen van een andere afkomst. Zij waren niet, zoals wij, voorbestemd om in de fabrieken te gaan werken. En daar begon een gevoel van onbehagen. De studenten of toekomstige studenten wierpen zich op als leider. Ze organiseerden allerlei proeven. En natuurlijk blonken zij zelf uit in hun eigen proeven.

Ons hele leven wisten we al dat we uiteindelijk in de fabriek terecht zouden komen. En we waren er trots op, dat we daar zouden werken. De jongens van onze klas die bijvoorbeeld onderwijzer wilden worden, hoorden al vlug niet meer tot onze groep. Die afkeer voor alles en iedereen die gestudeerd had, zat er toen al diep in. We hadden er te veel slechte ervaringen mee. We gingen werken toen we 14 waren. Het was het grote onbekende. Honderd en één vragen kwamen op ons af. We stonden midden in een volwassen situatie hoewel we eigenlijk nog kinderen waren. Op mijn eerste dag, toen ik een stiel ging leren, riep mijn moeder me nog eventjes bij zich. Het is nu eenmaal normaal dat je bij dergelijke gelegenheden nog wat goede raad meekrijgt. Ze zei me nog eventjes bij mijn vader langs te gaan. Hij had me nog iets te zeggen. Mijn vader was ziek thuis gekomen van Duitsland en lag in zijn bed. Ik kwam bij hem maar hij was te zwak om veel te zeggen. ‘Je komt nu in het volwassen leven,’ zei hij. ‘Het zal niet altijd even gemakkelijk zijn. Je moet je best doen.’ En toen zei hij nog iets wat ik nooit zal vergeten: ‘Horen, zien en zwijgen’.

De eerste stappen in de ‘christelijke Arbeidersbeweging’ - Boven

Toen we 13 jaar waren, werden we aangesproken om lid te worden van de schoolverlaterswerking van de KAJ. In die KAJ, de Katholieke Arbeidersjeugd, waren we allemaal gelijk. We waren allemaal 14 jaar en we gingen werken. We konden er praten over de problemen op ons werk, over onze baas, over wat wij als onrecht ervaarden. Maar er werd ook aan sport gedaan, we richtten kampen in, we trokken de natuur in. We maakten er veel plezier maar het belangrijkste vond ik toch dat ik er kon praten over mijn twijfels, mijn moeilijke momenten. Ik was ondertussen als leerjongen begonnen. Ik zou de stiel van meubelmaker leren. Voor mijn baas was mijn situatie dik in orde. Hij had een goedkope werkkracht. Hij werd vrijgesteld van taksen, van sociale zekerheid. Het enige wat hij moest doen was verlofzegeltjes plakken. Als loon kreeg ik alleen een kleine vergoeding. Maar dat kon niet, vond ik. Ik leerde wel een beroep maar thuis hadden ze al het geld wat we konden binnenbrengen hard nodig. Over al die zaken konden we het hebben binnen de KAJ. Het besef dat je over je moeilijkheden kunt spreken, dat er andere mensen in dezelfde situatie zitten. Tijdens die gesprekken, zag ik al vlug dat er twee opvattingen de ronde deden: een groep die zei dat het allemaal niet zo erg was, dat je tenslotte een beroep leerde. En een andere groep die stelde: ‘Hoor eens, zwart is zwart en wit is wit en we moeten er geen grijs van maken’.

De KAJ was sterk doordrongen met de ideeën van Rerum Novarum. Wij haalden uit de encycliek dat de arbeider ook een mens is, met zijn waardigheid, zijn zintuigen. Hij maakt de producten en moet dus als mens gerespecteerd worden. Ze hadden daar een beeld voor. De materialen gaan ruw de fabriek binnen en komen er veredeld weer buiten. De jonge arbeider daarentegen gaat de fabriek edel binnen en komt er ruw weer buiten. En dan doelden ze voornamelijk op het zedelijke en het godsdienstige.

Bekaert: modelpatroon - Boven

De centrale gedachte was ‘de ontvoogding van de arbeidersstand’. En ontvoogding betekende: ons cultureel peil optrekken, ons ontwikkelen en vormen. De patroons, van hun kant, moesten ons als mens en als arbeider respecteren, ons menswaardig behandelen. Wij waren immers, arbeider en patroon, kinderen van een zelfde God. We zaten in dezelfde kerk. De een wel wat meer vooraan als de ander maar kom. ‘Goede’ patroons werden ook als voorbeeld gesteld. Bekaert bijvoorbeeld. Dat was een goed mens. Ze gebruikten veel beelden om dat denken te verduidelijken. ‘Stelling, tegenstelling en samenstelling’ was er één van. De stelling was de gelijkheid van alle mensen. De tegenstelling was dat de arbeiders in de fabrieken niet gerespecteerd werden. En de samenstelling tenslotte was dat arbeiders en patroons samen moesten werken aan de ‘ontvoogding’. De patroon bewegen om de menselijke waardigheid van de arbeider te respecteren. Vanuit datzelfde denken hadden ze het ook over ‘zien, oordelen en handelen’.

Eén van de uitdrukkingen van dat christelijke denken over ‘ontvoogding’ was de ‘sociale school’. Mensen uit de KAJ, die geen kansen gekregen hadden maar die snugger waren en waarvan men dacht: ‘daar zit wat in’, werden uit de fabrieken getrokken. Die mochten dan naar de sociale school. Ze werden daar opgeleid om verantwoordelijkheid op te nemen in de beweging. Om daar, in samenspraak met de patroons, te werken aan de ontvoogding van de arbeidersstand. Ik denk daarbij aan mensen als Cool, Houthuys... Dat zijn nu net voorbeelden van wat ontvoogding zeker niet is. Uiteindelijk moest heel dat denken ons de ogen sluiten voor de echte tegenstellingen in de maatschappij, de tegenstelling tussen arbeid en kapitaal, voor de klassenstrijd, voor het inzicht in wie de productiemiddelen bezitten. Maar dat alles is mij pas later duidelijk geworden.

Ik werd 18 en mijn leercontract was afgelopen. Nu zou ik dus een wettelijk statuut krijgen en eindelijk geld verdienen. Tegelijk had ik vanuit de KAJ meer zelfvertrouwen gekregen en durfde ik al eens tegen de patroon in te gaan. Het was een periode waarin hij wat minder opdrachten kreeg. En dus werd ik afgedankt. Ik ging me inschrijven op de RVA en ontmoette er een vriend die ook zonder werk zat. We moesten allerlei inlichtingen geven. Leeftijd, adres, beroep, enz. Toen we buiten kwamen, gingen we nog eventjes op een bank zitten op de markt van Sint Niklaas, onder de bomen. We bekijken de kaart die we van de RVA gekregen hadden. Opeens zegt mijn vriend heel verwonderd: ‘Beroep: ... Landloper?’ Op de RVA had hij opgegeven: ‘zo wat van alles’. Maar ja, wat is dat dan? Dus had de ambtenaar maar opgeschreven: ‘handlanger’. Maar hij had zo onduidelijk geschreven dat je er even goed ‘landloper’ van kon maken. Daar moet ik nu vaak aan terugdenken. Vandaag zijn er 125.000 jonge mensen in België veroordeeld tot ‘landloperij’. Je voelt je als werkloze uitgesloten, marginaal, ellendig. Die korte periode als werkloze heeft me veel geleerd. Onder andere, waarom mensen zo verbeten kunnen vechten voor hun werk.

Na mijn legerdienst was ik opnieuw werkloos. Ik heb toen nog op een paar kleine bedrijfjes gewerkt. Tot ik op Boel kon beginnen. Ik was 23 jaar.

2. Horen, zien en zwijgen: maar hoe lang nog zwijgen? - Boven

Ik had ondertussen Diane leren kennen, Diane Van Vlierberghe. Ze was verpleegster bij de nonnekes. Maar we wilden trouwen. En dus kon ze daar niet langer blijven werken. Want een getrouwde vrouw hoort in haar keuken, en later bij de kinderen. We verhuisden dus naar Antwerpen, naar de Lamorinièrestraat, waar ze wél nog een getrouwde vrouw als verpleegster wilden. En ik ... ik werkte op Boel.

Die eerste dagen waren overweldigend, beangstigend, een enorme verandering. Als meubelmaker, gewoon aan mijn atelier, achter mijn werkbank met slechts een paar makkers rond me, kwam ik plots op een werf terecht waar zo’n goeie 2.000 mensen werkten. Zo’n werf is onvoorstelbaar groot. Net een dorp, met betonbanen, hellingen waar schepen op liggen, magazijnen en hangars, schepen op de Schelde, ... Overal loopt veel volk. Je vraagt je af wat er allemaal gebeurt in die schepen en die loodsen. Je krijgt er te maken met zo’n 40 à 45 beroepen, hoofdzakelijk gesitueerd in de metaalnijverheid. Je hebt er tekenkamers, burelen, allerlei diensten, ... En alles werkt er samen om tot dat ene te komen: het maken van een schip. Het is één beweging en er wordt vooral veel in groep gewerkt. En dan waren er de ‘kaders’, onbekend en veraf. Een schip maken was iets groots. Een schip, dat was in feite een groot luxehotel. Dat was soms maanden onderweg en dus moesten de mensen alle mogelijke comfort krijgen. Er werden kajuiten gebouwd, er werd een hele inrichting voorzien, er moest ontspanningsmogelijkheid zijn. En je moest ook niet met je schietlood op die boot komen kijken of alles wel recht hing. Hier waren andere dingen belangrijk, andere maatstaven, andere werkmethodes. Op een klein atelier, had je bovendien het ‘voordeel’ dat je je patroon kende, die stak altijd wel eens zijn neus binnen. Hier kende je hem alleen via zijn ondergeschikten, de meesters en de brigadiers. Die mannen hadden een examen af moeten leggen. Om het hardst schreeuwen. Als je boven de 160 decibel uit kwam, was je geschikt voor meester of brigadier. Over de hele werf werd er dus gebruld en geschreeuwd. Dat hoorde bij de manier van werken. In een atelier werk je achter een werkbank, vrij zelfstandig en in alle rust. Hier werd je een schip opgestuurd. Het was er donker, er was enorm veel lawaai en je struikelde over tientallen kabels waarvan je niet eens wist waar ze wel voor mochten dienen. Ik heb mannen gekend die het na de eerste dagen niet meer zagen zitten. Ze gingen naar huis en zochten ander werk. Ze konden het er niet gewoon raken. Maar als je er eenmaal ingeburgerd was, dan ontdekte je andere dingen: de echte lotsverbondenheid, de kameraadschap... Je leert er kameraden kennen, luidruchtig maar met een hart van goud. En onder de schaft kwamen de sterke verhalen boven. Verhalen over Jef Boel, de grote baas van de werf voor en tijdens de oorlog. Die je soms zonder een enkele reden naar huis kon sturen. ‘Maak dat je hier weg bent’. En als je dan aan de poort kwam, stond hij daar ook: ‘Wat doe jij hier? Terug aan het werk!’ Hij durfde ook al eens de deur van de wc openen. ‘Hoe lang zit je hier al?’ ‘Eh, drie minuten’. ‘Dat kan niet, als je drie minuten schijt, dan zijt ge dood.’ Nu moet je weten dat je zeker niet lang op die wc’s kon blijven zitten. Het was gewoon een gat in de grond met twee gemetste voeten ervoor. Hij durfde ook te roepen: ‘Gij ... gij schijt niet want ge ziet niet rood!’

Na de schaft moest iedereen terug aan het werk. Wie bleef hangen, kreeg een uitbrander. Behalve wanneer het over voetbal ging. Hij was voorzitter van de club van Temse. Maar waagde het niet te spreken over je loon, over de onveiligheid, ... Als het over voetbal ging, keek hij niet op een kwartier. Vandaag is dat nog zo maar veel vernuftiger. De voetbalploegjes die vanuit de directie worden opgericht en gesponsord, de visclub, ... Allemaal om de mensen te binden aan het bedrijf, om je nog tijdens je ontspanning te controleren en om in die ontspannen sfeer veel te weten te komen over de mensen. Ik hoorde toen ook verhalen over de graaf van Bornem. Hoe die zijn conciërge behandelde.

Hij kwam een stuk in de nacht thuis van een feestje en dan claxonneerde hij aan de poort. En dan moest de conciërge uit zijn bed komen, hoe koud het ook was, en hoe hard hij die dag ook gewerkt had. De poort open doen voor meneer. Of over die kameraad die gepakt was door de politie omdat hij zonder fietsplaat naar zijn werk reed, drie straten verder. Een paar dagen later ziet hij diezelfde agent rond een auto draaien die verkeerd geparkeerd staat. Plots gaat de deur van de winkel open en madam Saverijs komt buiten. En die agent gaat zich daar bijna verontschuldigen omdat hij de auto van madam aan het bekijken was. Hij met zijn fietsje, en madam met haar auto,...

Als je wat langer op Boel werkt, kom je ook dergelijke dingen tegen. Op een dag waren de sleutels en de reservebougies van mijn brommer gestolen. Ik zat er wel over in de put. Zo lang gespaard om die brommer te kunnen kopen en nu bestelen ze je nog. De makkers raadden me aan naar de personeelsdirecteur te gaan. Dat was een goede mens en misschien zou hij me wel kunnen vergoeden uit de speciale kas of zo. Ik kende die man niet maar ze legden me uit: dat gebouw binnen, die en die deur. Ik kom binnen bij die man, leg hem het geval uit. Hij kijkt prompt op zijn horloge. Ja, hij had nu niet zoveel tijd en bovendien hadden ze al genoeg dingen waar ze op moesten letten en de diefstallen op de werf zelf, et cetera, et cetera, ... Ik schaamde me achteraf voor mezelf. Had ik nu echt gedacht dat die man zou luisteren naar een timmermanneke als ik?

Op Boel leerde ik ook de vakbondswerking op een bedrijf kennen. Ik was er nog maar net ingewerkt, of er werden sociale verkiezingen gehouden. Eén van de schrijnwerkers had zich kandidaat gesteld en was verkozen voor de ondernemingsraad. Na verschillende vergaderingen zal hij gedacht hebben, ik moet hier toch ook eens iets doen, en hij maakte een opmerking over iets dat niet in orde was op het schip. Zijn opmerking werd opgenomen in het verslag. En iedereen kon dat lezen. Ook onze chef. In een verschrikkelijke woede, komt hij naar ons schip gevlogen. ‘Als jij denkt dat je mijn reputatie moet breken... En als je iets te zeggen hebt, dan zeg je het hier, tegen mij!’ Ik wachtte op een reactie van de verkozene maar die kwam er niet. De man was echt van de hand Gods geslagen. En toen kwam weer die vraag bij mij op: ‘Welke macht heeft die chef over ons, dat hij volwassen mensen zo bang kan maken dat ze niets meer durven zeggen?’ Die vriend is trouwens bij de volgende verkiezingen niet meer opgekomen. Welke machten werkten er tegen die kerel die met de beste bedoelingen aan zijn mandaat begonnen was?

Spreken moet je leren - Boven

Kort daarop brak er een staking uit. Er was een algemene vergadering, er was een eisenprogramma en de vakbonden hadden dat overgenomen en beloofd te verdedigen. Twee weken later komen we samen terug. Ik zit, als arbeider, gewoon tussen de rest en hoor het relaas over de onderhandelingen tussen de vakbonden en de patroon. En voor mijn ogen zie ik hoe ze nu totaal het tegenovergestelde verdedigen als wij besproken hadden, hoe ze als het ware hun kar keerden in een veldweg. Er ontstond een enorm rumoer, boegeroep, geschreeuw. Verschillende délégués kwamen tussen tegen hun vakbondsleiders, eisten dat ze zich aan het oorspronkelijke programma hielden. En ik, ik was ook woedend, ik wou op het podium springen, ik wou zeggen wat ik er van dacht. Maar ik deed niets. Spreken op een vergadering moet je leren. Je moet aangemoedigd worden. Ik dacht op dat ogenblik aan een KWB voorzitter die ik ooit eens gekend heb. Die moest een speech geven voor een volle zaal. Hij springt het podium op en na vier zinnen stopt hij weer. De man staat verbouwereerd te kijken en zegt dan: ‘En vannacht, in mijn bed, wist ik het allemaal nog zo goed’. Ik vreesde een beetje hetzelfde in Temse. Dat ik zou moeten zeggen: ‘Mannen, ik heb het daarnet nog zo goed gevoeld, maar ik kan het niet meer zeggen.’ Dat is heel belangrijk als je werkt met mensen. Als ze niets zeggen, niet schreeuwen, betekent dat nog niet dat ze niet het onrecht aanvoelen, dat ze van binnen niet echt woest zijn. Het betekent alleen maar dat ze niet hebben leren spreken in het openbaar. Want dat moet je leren, niemand heeft dat van nature uit.

Rond die tijd leerde ik een flinke kerel van zo’n 31 jaar kennen. We werkten samen. Op een zeker ogenblik wordt hij bij de meestergast geroepen. Iets later komt hij wenend terug. Hij heeft me toen een aantal dingen verteld, over het werk, over thuis. Die man was echt bang, die was aan handen en voeten gebonden. Ik zal dat nooit vergeten, een reus van een kerel, die kapot gemaakt wordt door macht. Hij is later van de werf verdwenen.

De onvrijheid kan niet blijven duren - Boven

Uit al die feiten en ervaringen heb ik zeer veel geleerd. Geleerd van anderen. En dat zou me bijblijven. Al wat ik weet, heb ik te danken aan andere mensen. Ik heb in die periode aan den lijve ondervonden hoe mensen bang kunnen zijn en tegelijk ook moedig. Maar ook onwetend. Mensen worden bang gemaakt door een sanctioneringsysteem. We weten allemaal nog te weinig over de machten waartegen ze moeten optornen. Voor mij was dat een startsein. De onvrijheid die ik hier zie en die in het systeem is ingebouwd om de mens nederig en onderdanig te houden, daar moeten we ons vrij van vechten. Dat is onze fundamentele opdracht: van de angst durf maken, van de onwetendheid kennis, van de onvrijheid bevrijding. En dat moet niet met enkelingen gebeuren, maar collectief. De vijf, zes eerste jaren op Boel, toen we nog niet in de kijker liepen, toen we nog niet ‘Hand in hand’ zongen, toen we gingen werken, en onze job goed probeerden te doen, toen we veel luisterden en veel in ons op namen, in die periode zijn we tot die conclusies gekomen. Het was een aanzet naar iets verders. Dat ‘iets verders’ kon ik toen nog niet duiden. Maar de aanzet was er om bewust te kiezen voor een militant leven in dienst van de arbeiders.

Op zoek naar een nieuwe ondernemingsvorm - Boven

Toen ik terug in Sint Niklaas kwam wonen, werd ik al vlug aangesproken door enkele mensen van de KWB. Of ik geen lid wou worden? Het was bijna vanzelfsprekend dat je vanuit de KAJ over zou stappen naar de volwassenenbeweging KWB. Maar ik voelde er niet zo veel voor. Dat had vooral te maken met de werking die ik op de parochie zag. In mijn ogen, als 28-jarige, was dat bijna een bejaardenclubje waar weinig dynamiek van uit ging. We discussieerden er met een aantal jonge mensen over en uiteindelijk beslisten we dan toch maar toe te happen. Maar dan in de vaste overtuiging om er iets te gaan doen, om vernieuwing binnen te brengen. Al was het maar een voetbalploeg oprichten, of toneel spelen, ons arbeidersleven met mekaar bespreken, zien welke activiteiten we daar rond in de parochie konden organiseren. Ik vond het erg belangrijk dat we het als groep deden. En dat ging niet zonder conflicten. We discussieerden veel met het bestuur en de wijkmeesters over onze opvattingen. Na veel discussies en kortsluitingen, kwam er toch iets op gang. En we stelden ons als doel: we moeten een jongere in het bestuur krijgen. Vanuit onze groep werd ik aangesproken om mijn kandidatuur te stellen. Ik was wel bang om daar te zitten tussen die oudere mensen. Ik wilde wel wat leren, maar ik had nog niet het lef om in het openbaar te spreken, om mannen die 25 jaar ouder waren dan ik te zeggen dat ze het mis voor hadden. Ik moest nog leren mijn gedachten te vormen en uit te drukken. Ik werd uiteindelijk als ondervoorzitter gekozen. Voor de jonge groep was dat een enorme aanmoediging. Later zou ik nog vele jaren voorzitter zijn.

Iets heel typisch van de KWB was haar democratie. Er werden regelmatig verkiezingen gehouden voor het bestuur. Dat was belangrijk. Daar konden we iedere keer veel leden rond mobiliseren. ‘De arbeiders moeten het zelf doen’, dat was onze belangrijkste stelling. Tegen de opvatting dat de onderwijzer, die toevallig ook KWB’er is, per definitie voorzitter moest zijn. Die afkeer, dat wantrouwen tegenover intellectuelen zou nog lang meegaan. Wij vonden dat arbeiders ook kunnen spreken, ook een vergadering kunnen leiden. Ook al deden we er wat langer over om het allemaal te leren.

De werking van de KWB draaide rond ons arbeider-zijn, het gezin, onderwijs, grondbeleid, gezondheidszorg en vooral de Derde Wereld. Ik heb fantastische herinneringen aan onze studiekringen, bezinningsdagen, debatavonden, uitstappen, zomerfeesten, ... Op één van die zomerfeesten greep een klein incident plaats. Na een massa activiteiten overdag, was er feest in de zaal. Je kon er eten, drinken en ... er werd muziek gemaakt. Maar ik kan nu eenmaal niet op een stoel blijven zitten als er muziek is. Dus begonnen we te dansen. Paniek bij de proost want dat mocht niet. Maar wij dansten verder. Ten einde raad zette hij de hoofdschakelaar af. Alleen de noodverlichting bleef aan. ‘Jullie weten toch dat er niet gedanst mag worden in de parochiezaal. Dat is een verordening van de bisschop. Als jullie nu met de handen op mekaars schouders zouden dansen, dan zou ik het nog kunnen tolereren. Of de mannen met de mannen en de vrouwen met de vrouwen.’ Niet te geloven. Maar hij haalde het niet. De schakelaar ging weer aan en we bleven dansen. Het werd een van de beste bals die ik ooit meegemaakt heb.

KWB was onze school - Boven

We hebben ons echt kunnen manifesteren in de KWB, onze inbreng kunnen doen. We kregen een stuk vorming, al was het maar door het feit dat we een welkomstwoord uit moesten spreken, of een vergadering openen. Veel dergelijke zaken hebben ons verplicht een daad te stellen, iets te doen. Als je niets doet, gebeurt er niets en verandert er niets. Zo heeft de KWB ons geleerd waar wij op school nooit de kans toe gekregen hadden.

Op een bepaald ogenblik begon de KWB voornamelijk het arbeider-zijn te bespreken. Het was de periode van het ‘manifest’: Op zoek naar een nieuwe ondernemingsvorm. Iedereen kreeg de brochure en moest die lezen. Er werden vergaderingen ingelegd om de inhoud te bespreken. Per parochie en later per verbond en nationaal werden de bemerkingen en amendementen bijeen gebracht. Het waren boeiende discussies. Wie zijn we, wat maken we mee op ons werk en vooral... wat moet er veranderen? Zo herinner ik me een voorval dat me altijd is bijgebleven. Op één van die vergaderingen zat een brave KWB’er die ik nog nooit een woord had horen zeggen. In het gesprek ging het er over dat een mens zijn energie, zijn initiatief moet kunnen uiten. En zo komt de ‘wenkenbus’ op de onderneming ter sprake. Plots zegt die man: ‘Hoe meer wenken je geeft aan je patroon binnen dit systeem, hoe vlugger je buiten ligt.’ Ik heb dat goed onthouden en op Boel is het me later nog van nut geweest. Wij kunnen alleen maar wenken geven als we zelf aan de macht zijn, als wij zelf de beslissingen kunnen nemen in functie van de mensen, niet in functie van bezit, macht en afjakkeren. Nu wordende wenken gebruikt in functie van de kapitalisten die ze gebruiken en misbruiken ten nadele van de arbeiders. Uit die discussies is mij ook de idee bijgebleven dat men ‘beslist zonder ons, boven ons en tegen ons.’

De discussies rond het KWB-manifest zorgden voor onrust bij de leiding van de christelijke arbeidersbeweging. De terreinen waren toch afgebakend. Volgens hen moest de KWB alleen maar instaan voor het culturele leven van de arbeider in zijn parochie en hem als ‘persoon’ wat ontwikkeling en ontspanning geven. Ze spraken altijd maar over dé mens, dé persoon, los van zijn groepsverbondenheid, los van zijn klasse. Van als we door gingen denken over onze arbeid, over onze arbeidssituatie, kwamen we op het terrein van de vakbond. En opvattingen als ‘het kapitalisme maakt ons kapot’, ‘het kapitalisme is onmenselijk’ en ‘er moet een ander systeem komen’ werden niet geslikt door onze leiding. Zij veroordeelden het kapitalisme niet, zij zochten naar samenwerking. Rond die stellingen zijn er van hoog tot laag ernstige conflicten geweest binnen de beweging.

De ideeën van het manifest waren niet nieuw en zeker niet revolutionair. De idee van zelfbeheer bijvoorbeeld was vroeger gebruikt en ontwikkeld, juist tegen de groeiende invloed van de marxistische ideeën bij de arbeiders. Maar voor ons was het manifest een aanleiding om op zoek te gaan, om fundamentele vragen te stellen, om in te gaan tegen het brave, het nederige, het onderdanige van het christelijke denken. Onze opstandigheid botste tegen het behoudsgezinde. Het was voor ons een startschot van bewustwording en opstandigheid. En de invloed daarvan zag je goed op studiedagen en weekends van het ACV. Je kon er de KWB’ers zo uithalen. Ze vielen op door hun progressieve taal, hun diepere opvattingen, hun bewuster nadenken. Je zag het aan de syndicale delegaties op bepaalde bedrijven, waar délégués uit de KWB kwamen. Er werd opener gediscussieerd. Er was een sterke drang naar openheid, democratie, fundamenteel nadenken.

Op Boel zouden de KWB’ers een belangrijke rol spelen.

3. Horen, zien en ... spreken - Boven

Er waren enorm veel spontane acties en werkonderbrekingen op de werf. In het eisenprogramma kwamen steeds twee thema’s terug. Een eerste eis was ‘Gelijk loon voor gelijk werk’. Die looneis sloeg voornamelijk terug op het loonverschil tussen de Boelwerf en Cockerill Yards. Hoewel de twee werven amper 20 km van mekaar verwijderd waren, viel Boel onder de binnenscheepsbouw en Cockerill onder de zeescheepsbouw. Het loonverschil kwam op 8 fr. per uur. En dit terwijl we hetzelfde werk deden, met dezelfde productiviteit en eenzelfde vakmanschap. Arbeiders willen fundamenteel gelijk behandeld worden. En ze willen dat ook in loon uitgedrukt zien. Een tweede punt was de drang naar meer democratie binnen de vakbond. ‘We willen délégués van ons, door ons verkozen en niet daar neergeplaatst door de vakbond’. Het hoofdpunt van de discussie was dat we délégués wilden die aangesteld waren door de arbeiders, die een opdracht kregen en die tot in de kleinste details uit zouden voeren. En algemener stelden we ook de vraag: ‘Die vakbond, hoe werkt die, hoe is die gestructureerd, is die wel democratisch en principieel? Kunnen wij hier wel aan bod komen?’ Met andere woorden, al die vragen die we vanuit de KWB naar de hele christelijke arbeidersbeweging gesteld hadden, die kwamen nu concreet terug naar de vakbond toe en meer bepaald naar de vakbondsleiding. Wat is een vakbondsleiding, hoe staan die tegenover het patronaat en de arbeiders, wat is hun rol in een staking? Een ander teer punt was de vrijheid van de militant binnen die vakbond.

Ik heb me vrij geschreeuwd - Boven

We waren niet vrij op het werk, zoveel was duidelijk. Honderden keren al hadden we de vuisten gebald in onze broekzakken maar niets durven zeggen. Maar een keer dat je je mond wel open trok, met alle risico’s van dien, dan voelde je je vrijer, opgelucht dat het eruit gekomen was. Die angst doorbreken, dat is heel moeilijk. Ik herinner me dat we eens op een heel moeilijke stelling moesten werken. En dan heb je vaak van die meestergasten die bulderen en schreeuwen, vaak om hun eigen onzekerheid niet te moeten tonen. Het was niet alleen een gevaarlijke stelling, het was ook moeilijk en ongezond werk dat we daarboven moesten doen. We werkten in de rockwol. Nu moet je weten, die wol die raakt overal binnen, en dat begint te jeuken. En door het feit dat dat werk gevaarlijk en moeilijk is, begin je te zweten, en dan krijg je nog meer jeuk. Begint die meestergast daar plots van beneden te schreeuwen tegen mij. Ik doe alsof ik hem niet hoor, begin alle kabels aan te sluiten en zo. Plots slingert die man me een aantal verwijten naar het hoofd. Dat ik altijd weg was, en nooit iets deed, ... Vooral dat laatste greep me erg aan. Ik schoot uit mijn krammen, verweet die man het feit dat hij er zelf niets van kon, verweet hem dat we moesten werken op die onmogelijke stellingen en riep dat ik van niemand wou horen dat ik mijn werk niet fatsoenlijk deed. Die meestergast was werkelijk als van de hand Gods geslagen. Ik stond zelf te trillen op mijn benen, besefte plots wat ik allemaal gezegd had. Ook de mannen die naast mij aan het werk waren, keken op: ‘Die ligt zeker buiten’. Maar na een eind voelden we ons allemaal zo blij, zo’n stuk lichter. Dat kan ik tot vandaag nog niet goed beschrijven. Dat gevoel van, ik heb het er uit gegooid, ik ben eventjes vrij geweest.

51 jaar op Boel en dan pas vrij... - Boven

Dat voorval doet menu terugdenken aan iets wat later gebeurde, toen ik al hoofddélégué was. Eén van de beste stielmannen ging op pensioen. Toen werkten ze nog tot ze 65 waren. Die man werkte dus 51 jaar op de werf. Zijn laatste dag werd gevierd. Op het einde van de dag werd hij ontvangen door de personeelsdirecteur. Zijn naaste chef was er ook. Ik kende die man vrij goed omdat ik vaak op zijn atelier kwam. Het was een heel rustige man. Nooit hoorden we hem iets opstandigs zeggen. Voor hem was blijkbaar alles goed. Hij deed zijn werk perfect en werkte altijd door. Maar op die laatste dag, bij de personeelsdirecteur, nadat hij een whisky gekregen had, kwam hij los. Toen heb ik die man vrij zien komen. Toen heeft hij gesproken. Niets of niemand kon hem meer stoppen. Hij gaf zijn chef er van langs. Vijftig jaar opgekropte woede kwam vrij. Hij was eindelijk zelf vrij! Hij viel zijn onmiddellijke overste aan. In feite had hij hoger moeten stampen. Maar dat zie je vaak bij arbeiders. Je neemt wie dichtst bij je staat. Ook al is dat de verkeerde man want die voert ook alleen maar uit wat de hogere machten hem bevelen. Voor mijn vriend was het de grootste opluchting die hij in zijn hele leven meegemaakt had. Toen dacht ik: ‘Is het niet erg, dat je moet wachten tot je 65 bent, om je eens vrij te voelen, om te kunnen zeggen wat je voelt, wat je denkt?’

De Gentenaar - Boven

Er kwam tijdens één van die acties, een man naar voor als spontane leider. We noemden hem ‘de Gentenaar’. We kenden hem in feite niet goed. Hij had zich altijd wat afzijdig gehouden, maar hij kon zo goed spreken, de mensen zo ‘begeesteren’, dat hij al vlug de woordvoerder van de arbeiders werd, naar de vakbond toe. Na één van de stakersvergaderingen werd die man door de politie opgewacht en naar het bureel gebracht. Ze hadden hem iets te vragen. We zijn toen met de hele vergadering naar het politiekantoor getrokken om de vrijlating van die man te eisen. Uiteindelijk werd hij, vlak na die staking, afgedankt. En niemand heeft daar iets rond gedaan. Die man verdween zo maar. Dit voorval heeft me alleszins geleerd dat je, als spreekbuis van de arbeiders, ook en vooral een sterke binding moet hebben met de mensen die je vertegenwoordigt. Een principiële houding alleen was niet genoeg. Je moet geduld oefenen, werkelijk steunen op die massa, weten wat hun gevoelens zijn, je moet erkend worden als één van hen. Het duurt misschien allemaal wat langer maar de relatie is veel stabieler. Waarmee niet gezegd is dat je geduld moet oefenen tot in het oneindige.

We hebben ook eens een dag ‘zitstaking’ gehouden. Het was weer een van die woelige vergaderingen en de mannen riepen: in staking, in staking! Maar de vooropzeg was nog niet gegeven en de secretarissen waren er niet voor om zomaar in staking te gaan. Daarop werd besloten een dag zitstaking te houden als waarschuwing aan het adres van de directie. Bij ons aan boord lag alles stil. We hebben daar fantastische gesprekken gehad. Maar in bepaalde ateliers vreesden ze dat het moeilijker zou gaan. In een atelier zijn immers veel meer ogen van meestergasten, brigadiers en chefs op je gericht. De controle is er veel groter dan op de andere plaatsen op de werf. Daarom beslisten de twee hoofddélégués om naar de ateliers te gaan. De ACV-hoofddélégué, een schrijnwerker, verliet dus zijn atelier. Na een paar uur komt hij terug en wat stelt hij vast? Iedereen in de schrijnwerkerij was weer aan het werk gegaan. De chef van het atelier was met alle middelen en alle mogelijke vormen van intimidatie tegen de staking in gegaan. En de mensen hadden niet de moed gehad om tegen hem in te gaan. De angst had hen weer bekropen en ze waren door de knieën gegaan.

De staking van 60-61 - Boven

Eind ’60 kregen we de staking tegen de eenheidswet van Eyskens. Het hele land stond in rep en roer. Vooral in Wallonië was het een echte revolte. Ook bij ons werd er gestaakt. Door het ABVV althans. Het ACV was tegen de staking. Daar heb ik vooreerst geleerd dat de arbeiders niet willen verdeeld zijn. Ze willen samen werken of samen staken. De verdeeldheid kwam niet van de stakers maar van bovenuit. Die wil tot eenheid zou trouwens ons streefdoel worden in heel ons syndicaal werk. Een tweede belangrijke zaak was: waarom wou het ACV niet meedoen aan die staking? Het antwoord luidde: ‘Dit is een politieke staking en wij doen niet aan politiek. Wij ijveren alleen voor de beroepsbelangen van de arbeiders.’ Dat vind ik vals en hypocriet. Heel ons leven, van de wieg tot het graf wordt door politiek bepaald. Alle beslissingen die genomen worden en tegen de arbeiders uitdraaien, worden door een regering en door politieke partijen in dienst van het kapitaal gemaakt. En bovendien: alles toont aan hoe de leiding van onze vakbond met de navelstreng verbonden is aan een burgerlijke politieke partij. De oproep ‘Geen politiek, geen politieke staking’ diende toen - en later nog vaak - alleen maar om ons af te houden van een radicale en principiële opstelling en actie. Om de arbeiders te verdelen.

Met de ideeën van KWB naar de vakbond - Boven

Na 60-61 ben ik militant van het ACV geworden. Aanvankelijk voelde ik daar niet zoveel voor. De KWB, de manier van werken daar, dat sprak mij aan. Maar dat democratische, dat opene, dat vond ik niet terug in de vakbond. Integendeel. Toch praatten we er vaak over met een aantal mensen van de KWB. En we kwamen tot de conclusie dat het onze plicht was om in de vakbond te werken, wilden we daar ook die openheid, dat progressieve denken, die opstandigheid binnen brengen. Bovendien had ik op de werf al een aantal flinke délégués bezig gezien waarvan ik dacht: ‘Dat is het! Zo moeten meer mensen werken!’. Neem daarbij nog de voortdurende uitnodiging van de mensen van de vakbond zelf, en de keuze was gemaakt.

We werkten toen nog tot kwart over vijf. Na het werk trok ik met de ACV-hoofddélégué naar het vakbondslokaal. Het was bijna een plechtigheid. Die man was er echt trots op dat hij iemand mee kon brengen als militant. En zo leerde ik de kernvergaderingen kennen, de bijeenkomsten van de militanten. Enkele zaken vielen me onmiddellijk op. Ik vond er weer eens de twee stromingen terug: de ‘behoudsgezinden’, bang voor alles wat nieuw was en de ‘progressieven’, de groep die geïnspireerd werd vanuit de KWB. De secretaris zat tussen die twee groepen, tussen hamer en aambeeld als het ware. En dan het antisocialisme. Ik heb daar mannen gekend die ’s morgens een socialist geroosterd konden eten, ’s middags een gebakken en ’s avonds een gestoofd. Dat vond ik onvoorstelbaar triestig. Hoe kon de ene groep nu uitverkoren zijn, de totale waarheid bezitten, terwijl de andere groep de onbetrouwbare was, de ondermijner? De scheidingslijn kon toch niet liggen tussen ‘christenen’ en ‘socialisten’. Want ook bij de socialisten waren er die ons konden verslinden als ‘kattenkoppen’. Ik ben daar altijd met al mijn kracht tegen in gegaan. Voor mij was het een breekpunt dat gif uit te roeien. Er moest begrip komen tussen de twee groepen, ook al waren er tegenstellingen. Het besef dat we tot één en dezelfde klasse behoorden, moest er in gepompt worden.

Militant van de vakbond worden zette mij er ook toe aan om te studeren. De wetgeving, alle overeenkomsten, ... Het leek een onoverkomelijke berg. Ik moest leren om niet voor schut te staan tegenover de patroon maar vooral om de arbeiders een dienst te kunnen bewijzen. En in dat studeren kruipt enorm veel tijd. Alles moest buiten de werkuren gebeuren. Op studieweekends maar vooral ’s avonds, thuis. Dat legt een enorme druk op je persoonlijke leven, op je gezinsleven ook. Maar mijn vrouw begreep dat werk. Ze steunde het en moedigde me aan. We hebben samen veel uitgepraat, vaak tot laat in de nacht. Het werd een stuk van ons leven.

Naar democratische verkiezingen: wij zijn de vakbond - Boven

Ik was nog niet zo lang actief in de vakbond of de sociale verkiezingen kondigden zich aan. Toen zag ik dingen die me altijd zouden blijven verbazen. Hoe telkens bepaalde mensen onrustig begonnen te worden. Ben ik erbij, werd ik aangeduid door de secretaris, kom ik op de lijst? Er ontstond echter ook een andere dynamiek. De dynamiek van de arbeiders zelf, die wisten dat hun vakbond en hun délégués in deze periode meer oog en oor hadden voor hun wensen. Ze kwamen op de vergaderingen meer democratie en spreekrecht eisen. Onder impuls van die arbeiders en met de steun van de progressieve KWB’ers in de vakbond was er deze keer iets veranderd. Er werd luid en duidelijk gesteld: wij zijn de vakbond. Wij betalen, wij maken de bond groot. Niet Brussel of een secretaris heeft het hier voor het zeggen, maar wij, de arbeiders. Die eisen leidden binnen de bond tot een aantal discussies die toch wel positieve resultaten hadden. Zo werden bijvoorbeeld voor de eerste keer échte verkiezingen gehouden. Wij stelden dat elke functie, dus ook die van délégué, verkiesbaar moest zijn. Elk lid moest verkiesbaar zijn en zijn kandidatuur kunnen stellen. De ‘behoudsgezinden’ haalden allerlei drogredenen naar voor om dit tegen te houden. ‘De secretaris wist toch het best welk vlees hij in de kuip had’ en ‘Als we het nieuwe systeem in zouden voeren, zouden alleen maar populaire tafelspringers verkozen worden, en niet de meest bekwamen’. Wij vonden dat de arbeiders verstandig genoeg waren om de juiste man op de juiste plaats te verkiezen. We waren radicaal tegen een aanduiding door de secretaris. Dat vonden wij een beknotting van de syndicale en persoonlijke vrijheid, tegen alle progressieve principes in. We stelden ook dat er pollverkiezingen moesten komen om te bepalen wie het eerst op de lijst kwam, wie als tweede, als derde, ...

Ook de discussie over het cumuleren van functies kwam weer naar voor. Sommige mensen stonden er op verschillende functies te cumuleren. Zo waren ze er zeker van er bij te zijn. Maar wij ontleedden die functies en het belang van al die taken. Wij stelden dat een lid van het Comité voor veiligheid en gezondheid, die zijn job goed wil doen, daar zijn handen al vol mee had. Hetzelfde gold voor een lid van de ondernemingsraad en zeker voor een syndicaal délégué. Het was allemaal nog een mengelmoes van gedachten maar ze waren principieel en we hadden er heel wat wrijvingen en meningsverschillen rond in de kern.

De verkiezingen gingen door in het vakbondslokaal in Temse, vrijdags na het werk of op een zaterdagvoormiddag. Veel mensen moesten dus speciaal naar Temse komen om te kunnen stemmen. Met als resultaat dat niet zo heel veel arbeiders op kwamen dagen. Ik werd die dag verkozen als reservedélégué met zo’n 25 stemmen. Het ACV had 5 effectieve délégués en 5 reserves. Het ABVV net hetzelfde omdat bij de verkiezingen voor de Ondernemingsraad en het Comité voor veiligheid en gezondheid de mandaten ook volgens die verhouding verdeeld waren. Maar al had ik dan geen echt mandaat, ik kon toch verschillende délégué-vergaderingen meemaken. En dat vond ik al een belevenis op zich. Er werd vergaderd met alle délégués. De twee hoofddélégués namen elk op hun beurt het voorzitterschap van die vergadering waar. Alle punten die in de loop van die week aan de hoofddélégués gemeld waren, kwamen op tafel. Alle problemen waarmee de délégués zaten, werden uitgepraat. En vanuit die vergadering, werden de hoofddélégués dan naar de directie gestuurd, om te onderhandelen, om onze eisen en grieven op tafel te leggen. Het resultaat van die onderhandelingen, kwam dan de volgende vergadering op tafel. Die werden dan weer eens besproken met alle délégués. Er werden soms harde discussies gevoerd. We vonden al eens dat die twee zich hadden laten ompraten, te zwak waren geweest, toegegeven hadden op een principekwestie, enz. Maar we leerden er praten, we leerden er met argumenten iets uiteen zetten, onze opvatting verdedigen, ... Ik heb daar een aantal mensen aan het werk gezien die me aanduiden hoe ik later als délégué wou werken. Principevaste mensen, die vertrouwen hadden in de arbeiders, hun eisen verdedigden en geen duimbreed afweken van hun standpunt.

Dat gebeurde niet alleen tijdens die vergaderingen, ook op de werf vielen verscheidene délégués op door hun consequent gedrag. Er moest eens een herstelling uitgevoerd worden aan een schip onder uiterst ongezonde werkomstandigheden. De arbeiders eisten een serieuze premie voor ze aan het werk wilden beginnen. De directie wou niet toegeven. Ze haalde alle bekende argumenten boven: zij waren de scheepsherstelling niet, de prijs was al zo nipt berekend, enz. Maar de mannen reageerden eensgezind: geen toeslag? Dan gaat het schip terug naar waar het vandaan kwam. Op een middag kwamen de arbeiders samen. De productiechef van de werf kwam in hoogsteigen persoon de mannen toespreken. De arbeiders hadden het verkeerd voor, ze moesten ook wat begrip opbrengen, de werf zou failliet gaan, ... Je had de man bijna gelijk gegeven. Maar dan komt de délégué naar voor. En hij zet de argumenten van de arbeiders uiteen. Misschien wat minder welbespraakt maar met dezelfde overtuiging, met een onvoorstelbare kracht verdedigde hij de eisen van de mannen. Dat was het wat ik ook wilde: met overtuiging tot de mannen spreken en hen door dik en dun verdedigen!

Van wie zijn de productiemiddelen? - Boven

In diezelfde periode al kreeg ik de kans om zelf eens op te komen voor onze belangen. Wij schrijnwerkers waren traditioneel een zeer kalme groep. Goed werk leveren en voor de rest niet veel lawaai. Dat had vooral veel te maken met onze chef, een echte tiran. Geen lawaai maken, betekende nog niet dat we nergens over praatten. Zo kwam Cockerill weer eens ter sprake en een aantal mannen wisten te vertellen dat ze daar, naast hun hoger loon, een vergoeding van 1 fr. per uur kregen voor hun gereedschap. Schrijnwerkers moesten traditioneel hun eigen gereedschap meebrengen. Je eerste dag dus met twee bakken op je rug mee naar de werf. Na enkele dagen, zagen we dat hier iets moest gebeuren. We stelden in het begin: wij willen die 1 fr. per uur vergoeding ook. Maar met enkele mannen dachten we wat verder. Die ene frank zou niet zo erg veel oplossen. Wat we uiteindelijk af moesten dwingen was, dat de werf zelf voor ons gereedschap zorgde. De groep ging akkoord en ik maakte onze eis aan de hoofddélégué over. Die moest het dan doorspelen aan de directie. Zo was de procedure. We verwachtten natuurlijk onze chef. En op een middag komt hij het schip opgevlogen waar we werkten, recht op mij af. Ik stond net temidden van een grote groep mensen. Hij pikt me er uit en begint prompt te schreeuwen: ‘Je moet niet denken omdat je van de vakbond bent, dat je het hier voor het zeggen hebt. We zullen dat hier eens rap regelen. Er zal géén gereedschap gegeven worden. En dat zal nooit veranderen! Het is trouwens een traditie in de scheepsbouw dat schrijnwerkers hun eigen gereedschap meebrengen.’ Hij dacht waarschijnlijk dat ik nu wel zou zwijgen. Maar ik dacht, nee jongen, deze keer niet met de Cap. Nu stel ik eens onze principes op een rijtje. ‘Ten eerste, gelijk loon, gelijk werk. Ten tweede: De productiemiddelen zijn hier allemaal van ons of allemaal van de baas. En als ze van de baas zijn, dan moet hij maar ons gereedschap leveren ook. Dat werd zo gesteld met de mannen en daar blijven we dan ook bij.’ De chef wist niet waar hij het had. Waarschijnlijk had hij het woord ‘productiemiddelen’ nog nooit gehoord. En hij was zeker geen tegenspraak gewoon. Want wie tegensprak of schreeuwde kreeg straf of vloog buiten. We kregen uiteindelijk gelijk en drie vierde van ons gereedschap kregen we direct. Een paar grote stukken konden pas later aangekocht worden. Het belangrijkste van die zaak was dat de schrijnwerkers, de traditioneel brave schaapjes nu gezien hadden dat ze, als ze eensgezind optraden, echt iets konden bereiken. En dat ze wisten dat de angst, hier voor de chef, echt overwonnen kon worden, dat ze, als we allemaal samen werken zelfs een tiran als de chef het zwijgen op kunnen leggen.

Een straf die er geen was - Boven

Natuurlijk kreeg die zaak nog een staartje. De chef, woedend omdat zijn goede reputatie weg was (hij kon zijn mannen er toch zo goed onder houden) zocht duidelijk de aanstokers van de actie. Met een paar kameraden werd ik dan ook op ‘verplaatsing’ gestuurd. Ik mocht niet langer meer met mijn groep samenwerken voor een paar weken. Ik voelde me net als in een woonwagen. Ik heb de tunnel, een zeer smalle doorgang, schoon gemaakt met thinner, olie opgekuist in de machinekamers, fotolas gedaan op een zeer gevaarlijke manier, de boomzagerij, het sledekot, ... Ik voelde me echt gestraft. Voor een vakman is het vernederend dergelijke werkjes te moeten doen. Niet dat het werk zelf minderwaardig zou zijn, maar het gevoel je beroep, je stiel niet meer te mogen uitoefenen, ... Ik moet eerlijk toegeven dat ik op dat ogenblik wel eens gedacht heb er mee te stoppen, ander werk te zoeken. En toch heeft die periode me ook erg veel geleerd. Dat heb ik me pas later gerealiseerd. Door het feit dat ik al die verschillende karweitjes op moest knappen, kwam ik over de hele werf. Ik kwam buiten mijn eigen groep en ik hoorde wat er allemaal besproken werd. Over de baas, over de werkomstandigheden, over de vakbond. Ik leerde eigenlijk alle problemen kennen van de verschillende branches op de werf. En die kennis is me later goed van pas gekomen voor de verdere strijd. Een strijd die altijd maar voortbouwde op het principe dat we toen stelden: gelijkheid en solidariteit. Een ploegbaas, of een patroon, die kan zijn arbeiders onvoorstelbaar tegen mekaar opzetten. Hij voert een willekeur in. Bij periodes met minder werk bijvoorbeeld, kan hij om het even wie enkele weken naar de RVA verwijzen. Zo kan hij bepaalde mensen voor weken wegsturen terwijl anderen altijd aan het werk kunnen blijven. Dat verdeelt de mensen. Ze vinden dat ook oneerlijk. Ik heb me toen al voorgenomen daar ooit iets aan te doen. Ofwel doppen we allemaal een week, ofwel niet. Nog een ander voorbeeld waren de looncategorieën. Toen ik op Boel kwam werken, waren er 45 verschillende looncategorieën. Wij stelden heel duidelijk: Het is niet omdat je ‘maar’ verver-ontroester bent, dat je minder moet verdienen dan een paswerker die hoe dan ook al een mooiere job heeft. Later zijn we dan, in verschillende etappes gekomen tot 8 loongroepen. Alles was dichter bij mekaar gebracht en vooral, de laagste categorieën waren opgetrokken. In die periode leerde ik de stappen te zetten in het proces van luisteren, handelen en samen iets verwezenlijken. Oog hebben voor de problemen, luisteren naar de mensen. En dan uitmaken in welke mate die verzuchtingen door alle arbeiders gedragen worden. De tegenstellingen binnen de groep overwinnen, via vele en lange gesprekken om tot een echte eenheid te komen rond de eisen. Dat zijn allemaal voorwaarden om te slagen in een actie. Maar dan begint pas het echte werk van een délégué. Dan moet hij optreden, de eisen verwoorden, verdedigen bij de directie. De vakbondsleiders moeten er bij betrokken worden en soms zelfs nog overtuigd.

Het strijdsyndicalisme van Boel krijgt gestalte - Boven

De verkiezingen van ’67 kwamen steeds maar dichter bij. De twee strekkingen binnen de militantengroep bestonden nog altijd. Maar de progressieve groep die uit de KWB kwam, kreeg steeds meer aanhang onder de arbeiders. We werkten ook bewust aan de uitbreiding van de groep. KWB’ers, arbeiders die zich wilden inzetten, werden aangesproken om lid te worden van de vakbond. Er moest veel veranderen binnen de vakbond, er moest democratischer, principiëler gewerkt worden. En daarom moest iedereen zich engageren. De leiding nam dat niet zomaar. Een ononderbroken klachtenstroom tussen Temse en Brussel kwam op gang. ‘Met dergelijke mensen kunnen we niet werken. Ze maken de vakbond kapot. Ze organiseren te veel spontane acties. Ze hebben te veel contacten met ‘andersdenkenden’, met communisten zelfs. Ze werken niet in de geest van de christelijke arbeidersbeweging.’ In ’67 bereikte die interne strijd dan haar hoogtepunt. Twee van onze mensen, Karel en Desiré, werden afgezet door de leiding. Dat sloeg in als een bom. Het was een aanslag op heel onze groep. Karel en Desiré waren het soort délégués dat de arbeiders wilden: mannen die konden luisteren, die met de mensen samen werkten, die verder keken dan hun eigen bedrijf. De arbeiders hadden hen verkozen. En vanuit onze democratische principes die we in de KWB geleerd hadden, vonden we dat ook alleen de arbeiders hen af konden zetten. De ‘behoudsgezinden’ verdedigden de beslissing van Brussel. Ze namen de argumenten van de leiding over. Met onze groep werkten we aan scherpe reactie. Een reactie die op drie vlakken uitgewerkt werd. Binnen de vakbond zelf wilden we onze eigen groep, onze eigen militantenkern zo sterk mogelijk maken. Vervolgens mobiliseerden we de arbeiders rond de zaak.

Hun reactie was heel spontaan: ‘Dat kan niet. Zulke mannen hebben we precies nodig!’ En ten derde werkten we naar de KWB toe. Ook Karel en Desiré kwamen uit die hoek en we kregen veel steun. Op het bedrijf lieten we een petitie rondgaan en op zeer korte tijd hadden we 1.300 handtekeningen bij mekaar. We stuurden die naar onze nationale voorzitter, Gust Cool. Die stuurde ze door naar de voorzitter van de metaalcentrale die zich verplicht zag naar Temse te komen. In aanwezigheid van de voorzitter konden Karel en Desiré zich verdedigen. Maar op die vergadering kregen zij ook de kans om duidelijk te maken wat er allemaal schortte aan de werking van de kern. Wij wilden geen vergaderingen waar velen naar toe kwamen met de idee ‘De zon schijnt, de vogeltjes fluiten en we zijn allemaal goede mensen’. We wilden een vergadering waar de problemen van de arbeiders serieus besproken werden. Degelijk voorbereide vergaderingen, met een dagelijks bestuur dat een serieuze dagorde had. We wilden een grotere inspraak van de militanten. Minder vriendjespolitiek en meer democratie. De protestbeweging onder de arbeiders, de militanten en de KWB’ers nam zo’n vlucht dat de afzetting uiteindelijk ongedaan gemaakt werd. Karel en Desiré behielden hun mandaat.

II. Arbeider en strijdsyndicalist
- Boven

‘Als arbeider wordt men door de feiten actief.
Het militante vakbondswerk zit in de naam ‘arbeider’ gebakken.’

4. Hoofddélégué: een lange weg om je principes te verwezenlijken - Boven

‘Op ons bedrijf hebben op het einde van de zestiger jaren een paar ACV-militanten op het voorplan gewerkt. Jan Cap en Karel Heirbaut. Het zijn twee producten van de beruchte Elewijt-klassen, het ACV-centrum waar aan militanten de theorie en de praktijk aangeleerd werd voor het voeren van acties, ook subversieve, gaande van slogans, verdachtmakingen en fluistercampagnes tot laster, intimidaties en dergelijke meer. Vanaf dat ogenblik is op de werf een systematische tegenwerking en beknibbeling begonnen van al wat leiding en gezag vertegenwoordigde.’
Victor Nelen, Afgevaardigd-Beheerder. [citaat uit het boekje Tien jaar boel op Boel]

Door de problemen rond de afzetting van Karel en Desiré waren de verkiezingen voor de syndicale delegatie verdaagd. In het akkoord, waardoor zij in hun mandaat hersteld werden, werd ook bepaald dat ze hun functie in ondernemingsraad en comité niet meer mochten cumuleren met een taak als syndicale délégué. Wij waren principieel ook tegen cumul maar het was er de leiding van de centrale alleen maar om te doen de invloed van die twee zo beperkt mogelijk te houden. Wij reageerden daarop met de stelling: ‘Karel en Desiré mogen niet cumuleren? OK. Maar dan zal de hoofddélégué zeker niet meer cumuleren!’ En we eisten een verkiezing voor die functie. De ‘progressieven’ vroegen me om mijn kandidatuur in te dienen. Er waren twee kandidaten: de toenmalige hoofddélégué en ik.

Er werd gestemd in de militantengroep. De spanning was er te snijden. Twee groepen stonden hier lijnrecht tegenover mekaar. De uitslag werd voorgelezen. En wat eigenlijk niemand echt verwacht had, gebeurde: ik was tot hoofddélégué verkozen met 23 stemmen tegen 19. De ene groep stond er bedrukt bij, de andere jubelde. En ik, ik werd er stil van. Wel blij, maar toch onder de indruk. De opdracht die ik daar kreeg vanuit de vakbond was niet licht. Ik was vooral blij omdat mijn verkiezing duidelijk toonde dat het strijdsyndicalisme op Boel gewonnen had. Dat we als sterkste uit een aanslepend conflict gekomen waren. Maar zo’n functie is een doodernstige zaak. En die verantwoordelijkheid weegt zwaar. Ik ben die avond stilletjes naar huis gereden, vol van gedachten. En heb er met mijn vrouw over gepraat. Alle belangrijke stappen in mijn syndicaal werk heb ik trouwens kunnen bespreken met Diane. Ook deze. Zij geloofde in dezelfde principes als ik. Ze zou me door dik en dun steunen bij het realiseren van mijn idealen. We wisten waar we voor stonden. We wisten dat er heel wat zou gebeuren en dat dit, gewild of niet, zwaar ons familieleven zou beïnvloeden. Maar ze stond achter me en dat is in heel mijn leven erg belangrijk geweest.

Vol goede moed ben ik ’s anderendaags terug naar de werf getrokken. Mijn eerste dag als hoofddélégué. Ze stelden me voor aan de personeelsdirecteur en zijn diensten. Die waren natuurlijk ook op de hoogte van de interne spanningen binnen de vakbond. Maar dat het allemaal zo vlug zou gaan, had niemand verwacht. Waarschijnlijk dachten ze: ‘Dat ziet er een brave jongen uit en hij is ook niet van de grootste. Dus zal alles wel loslopen.’ Je bent een arbeider, je hebt altijd tussen die arbeiders gestaan en plots word je voor een stuk uit die wereld weggetrokken en kom je voor de eerste keer bij de directie. Kom je op de plaatsen waar de beslissingen vallen, waar de zware onderhandelingen gevoerd worden. Bovendien lieten ze me niet langer tussen mijn kameraden op de boten werken. Ik moest nu plots in een atelier werken. Dat was zo de gewoonte. Een hoofddélégué moest veel tijd in het syndicale werk stoppen en dat gaf problemen bij de productie van een schip waar alles in ploegverband gemaakt werd. Hoofddélégué zijn betekende toen: 22 uur werken en 22 uur syndicaal werk. Die 22 uur had ik dan ook echt nodig als ik een goede délégué wou zijn. Er was vooreerst zoveel te leren. De wetgeving alleen al. Mensen komen je vaak vragen: hoe zit dat nu met mijn pensioen, hoe zit het met mijn ziektevergoeding, met mijn verlof. En dan zei ik liever ‘Ik weet het niet, ik ga het vanavond opzoeken.’ Liever dan een halfslachtig antwoord te geven. Ik heb altijd gezegd: een mens komt je iets vragen en hij kijkt je met twee ogen aan. Er is één oog dat wacht op een antwoord. Maar er is een ander oog dat je gezicht bekijkt en zich afvraagt: ‘Wie is die man, kan ik die betrouwen? Is die eerlijk, correct?’

Ik leerde heel veel uit boeken en op studieweekends over arbeidswetgeving maar ontdekte dat je ook veel moet leren uit het verleden, uit de goede zaken en de fouten van anderen. Zo heb ik direct na mijn verkiezing gesteld: geen nadelen als délégué maar ook geen voordelen. Iedereen in de vakbond wist maar al te goed dat délégués al eens kleine voordelen krijgen om hem aan de patroon of aan de personeelsdirecteur te binden, om hem later het zwijgen op te kunnen leggen. Ik wilde absoluut vermijden, dat ik ooit eens mezelf met handen en voeten gebonden aan het patronaat zou vinden. Maar ik wou ook geen nadelen. Het gebeurde immers ook dat een hoofddélégué of een gewone délégué geen categorieverhoging kon krijgen of nooit in de hoogste categorie kwam. Dat had ik geleerd uit al de spontane acties van de afgelopen jaren waar de vorige hoofddélégué zo bang voor was. Dat wou ik zeker niet doen.

Spontane acties wou ik ondersteunen, er een lijn in steken, leiding geven - Boven

Ik was niet bang van mijn mensen, ik wou naar ze toe gaan, naar ze luisteren en dan een vergadering bijeenroepen waarin alles ordelijk op een rijtje gezet kon worden. Waarop de voorstellen opnieuw geformuleerd werden. En waar we eensgezind een beslissing konden nemen. Hier kwam het voordeel naar boven, dat ik ooit eens die paar maanden over de werf gezworven had. Op manier wist ik toch al veel over de verschillende branches. Dat hing samen met het feit dat ik vooral naar de arbeiders zelf wou luisteren. En niet alleen naar een goede kameraad-délégué of een militant.

Want precies op de schepen, in de dubbele bodems soms, kom je meest te weten over wat hen bezighoudt. Zo had ik ook de misschien vreemde gewoonte om altijd te voet over de werf te lopen. Die werf is zo groot, verschillende kilometers lang dat je er heel wat tijd mee verliest. Maar als ik mijn fiets genomen zou hebben, dan reed ik iedereen gewoon voorbij. Ik kon dan wel eens mijn hand op steken of zo en stoppen bij de mensen die ik iets wou vragen. Maar als de mensen mij eens wilden zien, of me iets te vragen hadden, zou ik al voorbij zijn voor ik hun stopteken zag. Dat was gewoon het contact op het meest elementaire, menselijke niveau dat ik wou onderhouden.

Een volgend punt wat ik mezelf voorgehouden had: ik wou me niet onder de indruk laten brengen door bazen of hoge bonzen. Op recepties en vergaderingen, waar je als hoofddélégué nu eenmaal op aanwezig moest zijn, drink je al eens champagne. Ze zeggen wel eens: champagne is de drank van de arbeiders, gedronken door de mond van hun vertegenwoordigers. Ik heb een secretaris in Elewijt nog horen verdedigen hoe belangrijk het was om bij onderhandelingen een proper kostuum te dragen. Alleen zo kon je de evenwaardige van een directeur zijn. Het ging er mij echter niet om evenveel ‘waard’ te zijn als de directeur. Zo loop je alleen maar het gevaar je door diezelfde directeur te laten inpalmen, je eigen klasse te verliezen. En de mannen hadden me niet verkozen om me te laten inpalmen door pralines en champagne. De mannen hadden me gekozen om mijn werk te doen. En dat was het enige wat ik wou.

Het werk eist slachtoffers - Boven

We waren middenin de jaren van wat ik noemde ‘maatschappelijke beweging’. De studenten kwamen op straat, er doken plots overal comités op, alternatieve clubs en alle mogelijke en onmogelijke groeperingen die op een vrije, democratische en progressieve manier iets aan de maatschappij wilden veranderen. Op Boel vond deze beweging natuurlijk zijn weerslag. Als het ware aangemoedigd door die golf, kwamen er bij ons meer en meer spontane acties en stakingen. Sommige mensen durfden en durven wel eens te beweren ‘Op Boel staken ze als ze niet mogen gaan pissen’. Wie zoiets zegt, weet er niets van, kent niets van Boel, weet niet wat een scheepswerf is. Als ik al die verschillende acties nu eens bekijk, dan draaide het altijd rond vier belangrijke punten: gezondheid, veiligheid, ‘menselijke verhoudingen’ en loon en arbeidsvoorwaarden.

Vooreerst: de gezondheid van de mensen. Wie nooit op een werf gewerkt of zelfs maar rond gelopen heeft, weet niet hoe ongezond bepaald werk kan zijn. Het lassen, het werken in gesloten ruimtes met al die gassen om je, het gebruik van asbest waar we pas later achter kwamen, met al die ongezonde producten, ... De mensen hadden chronische verkoudheden, ademhalingstoornissen na bepaalde karweien enzovoort. Dan de veiligheid. Op schepen werken is heel gevaarlijk. Ik heb al verteld hoe we soms op heel wankele, hoge en labiele stellingen werkten. We hadden vaak ongevallen op de werf, soms ook dodelijke. Er waren slechte relingen, slechte ladders, noem maar op. We hadden uit de delegatie en het comité al tientallen keren dergelijke gevaarlijke situaties aangeklaagd. Maar de directie deed weinig. Vaak met het argument ‘Het is de laatste keer dat we die stelling gebruiken. Het zou wel moeten lukken.’ Wel ja, het moest lukken. Zo viel er ooit een kameraad een tiental meter naar beneden. Ze braken een stelling af rond een hijskraan en het kon weer niet vlug genoeg gaan. En de onderhoudsman die nog aan de hijskraan werkte is zo aan zijn einde gekomen. Zo hebben we verschillende ongevallen weten gebeuren, ondanks onze waarschuwingen. Het volgende verhaal is trouwens een van de grote redenen geweest van de staking van ’71. Je moet weten, een schip dat bijna af is, ligt op de Schelde. Dat schip ligt gemeerd met trossen, met kabels. Je kunt het niet echt vastleggen, want de Schelde kent eb en vloed en dus moet zo’n schip mee kunnen bewegen. Via een ‘gangway’, die mee kan bewegen, kunnen de arbeiders het schip op en af. Nu, als een schip bijna af is, moet het proefdraaien. De motoren worden aangezet en, terwijl de mensen nog druk doende zijn op en rond het schip, begint dat gevaarte te draaien. Door de kracht van de schroef wil dat schip weg van de kant en komen de trossen onder enorme spanning te staan. We hadden al verscheidene keren gevraagd dat proefdraaien na de werkuren te doen. Met al dat volk op rond het schip was het veel te gevaarlijk. Maar de leveringstermijn was altijd heilig, het schip moest af zijn op een bepaalde datum en dus moest er geproefdraaid worden tijdens de werkuren. We hebben tot twee maal toe gemeld dat het te gevaarlijk was om nog op die gangway te lopen. Maar vergeefs. De laatste dag van het proefdraaien, rond kwart over drie, gaat het schip zo ver van de kaai weg dat de trossen springen. Het schip drijft steeds verder weg. De gangway breekt af. Twee arbeiders vallen met het gevaarte mee de Schelde in. Dood, verdronken. Opgeofferd aan de heilige koe van de productie. Paniek natuurlijk op de hele werf toen bekend werd dat er twee kameraden niet meer gered konden worden. Tientallen arbeiders hadden het nieuws gehoord en kwamen direct naar het schip. Woede en verslagenheid bij de mannen. De vuisten gebald in de broekzakken. Zoiets blijft in hun geheugen gegrift. Het zijn dergelijke zaken die later aan de basis liggen van de verbetenheid waarmee actie gevoerd wordt. Het zijn dergelijke zaken die arbeiders motiveren om militant te worden en zich in te zetten voor de veiligheid en de gezondheid van de arbeiders op de werf.

Alle rijkdom komt uit arbeid maar... wie heeft ze? - Boven

Ik heb in die periode ook vier jaar in de ondernemingsraad gezeten. We waren tegen cumuleren. Maar de druk vanuit de militantenkern was toen zo groot dat ik er niet onderuit kon. En precies in die periode, in ’69 maakten we mee dat Boel opgesplitst werd in vier maatschappijen. Naast de Boelwerf zelf kwam er een bevrachtingsmaatschappij, een rederij en een overkoepelende holding. Het was het begin van de uitbouw van een echt imperium, met onvoorstelbaar veel vertakkingen en verbindingen.

Ik heb dat altijd vergeleken met visputten. Als de ene put wat minder vis begon te leveren, konden zij gemakkelijk de andere put aanslaan. Alle vis kwam uiteindelijk toch in dezelfde pot terecht. Nu kun je zien hoe toen al de basis gelegd werd om, als er crisis in de sector kwam, de scheepsbouw te laten vallen. Ze zitten met hun kapitaal toch in de andere veelbelovende en winstgevende visputten. Heel die operatie maakte ook duidelijk welke onvoorstelbare roof daar gepleegd werd. Waar kwam het kapitaal vandaan om die maatschappijen op te richten, dat imperium op te bouwen? Uit de meerwaarde, de rijkdom die de arbeiders tot stand hadden gebracht, vaak ten koste van hun gezondheid of hun eigen leven. En uit de miljardenstroom aan gemeenschapsgelden die via goedkope kredieten bij hen terecht kwam. En dan bots je weer op de echte rol van een regering, van de politieke macht. Zij waren bij dit alles betrokken, zij organiseerden de geldstroom, zij zijn de waterdragers van de economische macht. Maar als je ontleedt hoe het geld van de arbeiders daar gestolen wordt, dan kun je met recht en reden zeggen dat wij de wettige eigenaars zijn van die hele sector. In de ondernemingsraad gingen we ervan uit: het is allemaal geld van de werf, dus moeten wij ook weten wat er in die andere nv’s aan het gebeuren is. Maar we kwamen van een kale reis terug. Ze zouden alleen de informatie doorgeven over de punten waartoe ze verplicht werden: de economische en de financiële informatie over de werf zelf.

De staking van ’71: een revolte voor veiligheid, gezondheid en gelijkheid - Boven

Tegen die ongezonde en onveilige werkomstandigheden, werden tussen ’67 en ’71 tientallen spontane acties gevoerd. Zo werden op één jaar tijd eens 14 spontane werkonderbrekingen gemeld. Dat betekende nog niet dat de Boelwerf 14 keer stil lag. Vaak braken er stakingen los bij één bepaalde branche of rond een bepaald schip. Met onze syndicale delegatie moedigden we dat ook wel aan. Dat was onze syndicale lijn, de mensen aan te moedigen, het spontane te laten opbloeien en te appreciëren. Dat bracht een vervelende situatie met zich mee voor de directie. We stonden daar altijd weer met ons programma, met onze klachten. En meestal gaven ze op een aantal onbelangrijke dingen toe. Uiteindelijk bleek dan toch dat de veranderingen niet fundamenteel waren. Dat is een van de aanzetten tot de staking van ’71 geweest. Het feit dat de directie weigerde ooit eens iets fundamenteels te veranderen. Maar dat de situatie in feite even ongezond of gevaarlijk bleef. De directeur van de personeelsdienst liet de situatie gewoon verrotten. Vooral de monteerders en de lassers hadden met die problemen te kampen. Tot ze er op een bepaald ogenblik echt de buik vol van hadden en het werk neerlegden.

Het was 13 september 1971. De monteerders waren een groep van zo’n 400 mensen. Maar ze kregen al vlug de steun van de paswerkers, de lassers en de buizenleggers. Niet toevallig de branches die het meest met hen samenwerkten onder dezelfde omstandigheden. Als je als lasser in de dampen moest werken, kreeg je 5 % toeslag. Maar een monteerder die in dezelfde ruimte werkte, kreeg niets. Ze hadden ook meer dan genoeg van de vriendjespolitiek: de enen altijd het vuile werk, de anderen nooit. De directie viel uit de lucht. Hoe kan dat nu? De arbeiders hebben het hier toch goed? Op zo’n moment weet de directie nooit van iets. Maar ook bij de vakbondsleiding waren er problemen. Ik heb twee gesprekken meegemaakt waarbij duidelijk werd dat de provinciale secretarissen de staking helemaal niet zagen zitten. Ze kwamen naar onze vergadering met de idee ‘We zullen dat varkentje hier wel eens wassen. Laat die mensen maar eens wat stoom aflaten. Zo lang het niet langer duurt dan twee dagen.’ Maar niemand kon nog op tegen de argumenten en de feiten die de arbeiders boven haalden. Geen provinciale, geen gewestelijke en geen nationale secretarissen konden de staking nog tegen houden. De mensen waren het zo beu. Ze hadden lang genoeg onderhandeld. Ze hadden hun délégués tientallen keren naar de personeelschef en de directie gestuurd. Nu zouden ze dus staken. Die staking van ’71 was wel iets speciaals. De vier grote branches staakten. De andere branches waren niet opgeroepen om mee te doen en werkten dus verder. Later viel de hele werf natuurlijk stil want de productie kon niet verder gaan als de vier grote branches stil lagen. De niet-stakers werden dan maar op ‘tijdelijke werkloosheid’ gezet. Uiteindelijk zorgde een halve staking er voor dat heel het bedrijf stil lag.

Veel mensen in de streek hoor je dan zeggen: ‘Waar staken ze nu weer voor?’ en ‘Zal een staking dat nu weer allemaal regelen?’ Ik heb daar maar één antwoord op. Als je zelf de hele dag in die stank, in die rook moet werken, als je kameraden van je ziet sterven door een onveilige stelling, als de mensen hun gezondheid naar de knoppen gaat, als je dàt allemaal meemaakt, dan pas heb je recht op spreken. En niet als je een marktkramer bent die maar ziet als het staking is wanneer de vrouwen minder beginnen te kopen en die dan maar roept: ‘Wat is dat toch met die mensen van Boel? Als ze het gedacht hebben, staken ze!’

De vakbondsleiding wou de staking niet erkennen maar ... ze betaalde wel stakersgeld. Weer die dubbelzinnigheid. Ze gaan niet akkoord met de staking, ze willen er zo rap mogelijk een einde aan maken en dus erkennen ze niet. Maar ze willen de mensen ook niet uithongeren. Of beter: de druk van hun mensen was zo groot dat ze wel moesten betalen. Kwam daarbij nog dat het feit dat ze de mijnwerkers in ’70 niet betaald hadden, nog zo vers in het geheugen van de mensen lag, ...

Het eerste stakerscomité bij Boel - Boven

Wat we onmiddellijk deden bij deze staking was een stakerscomité oprichten. De opdrachten die zo’n staking met zich meebrengt zijn enorm. En bij onze mensen hadden we een rijkdom aan capaciteiten op vele vlakken. Iedereen kon zijn inbreng doen. In dat stakerscomité kon iedereen zich ten volle ontplooien en inzetten. Uit de vele klachten en verzuchtingen van de mensen werd een eisenpuntenprogramma opgesteld:

- 5 % toeslag voor vuil werk en werk in gesloten ruimtes;

- Een vaste regeling voor het ploegenwerk, tegen de bestaande willekeur, en een hogere ploegenvergoeding;

- Toepassing van het wettelijk loonbarema voor jonge arbeiders;

- Een helper bij de monteerders;

- Rechtmatige betaling van de arbeiders die zelfstandig werken;

- Naleving van de akkoorden van 25 januari 1971 over de categorieverhoging en de arbeiderspromotie; — Versoepeling van de categorieverhoging;

- Controle op de aanwerving, de werkverdeling en de arbeidsplanning.

En daar komt de wacht van de rijken - Boven

Die piketten hebben me toen heel veel geleerd. We hadden vooreerst te maken met ‘ratten’, werkwilligen. Op een bepaalde ochtend staan we om 4 u ’s ochtends piket. Er komt iemand aangereden die er in wil. Hij wil gaan werken. Recht op arbeid. Nu, wij hielden hem tegen. Gaat die kerel toch wel direct naar de rijkswacht. Waarschijnlijk hadden die alleen maar op zo’n geval zitten wachten. Nog geen half uur later staan ze tegenover ons. Ze probeerden ons uit mekaar te ranselen. Dat lukte niet want we waren met een vrij grote groep. Dus, de rijkswacht terug weg. Ze bellen hun collega’s uit Gent op. Vrijwel direct staan die daar ook. Het beeld van die rijkswachtversterking vergeet ik nooit. We stonden in de Dijkstraat, de ingang naar de werf. De straat loopt daar wat naar beneden. Daarvoor heb je de kerk maar verder zie je dus niet veel. En plots komen daar tientallen en tientallen rijkswachters naar beneden gestormd. Zonder één verwittiging, zonder één woord, zonder een gesprek. Ze staken alleen hun matrak in de lucht. Op hun gezichten kon je de grijns al zien ‘Die zullen we eens rap uit mekaar kloppen.’ Er volgde een gevecht in regel. Ze hebben uiteindelijk het hele piket uit mekaar geranseld om die ene man naar binnen te krijgen. De volgende confrontatie met de rijkswacht verliep enigszins anders. Na een stakersvergadering besloten we om met alle stakers naar de poort te gaan. De rijkswacht was weer eens gealarmeerd. Die stond al paraat voor wij toekwamen. En ze begonnen losjes met mij te babbelen. Toen is het mij opgevallen hoe vriendelijk die rijkswachters kunnen zijn. ‘We begrijpen wel dat jullie hier staan’. ‘Jullie zijn arbeiders en jullie verdedigen je rechten’ en ‘Mijn vader was ook arbeider’. Maar dan, als het bevel komt, zouden ze je even goed doodkloppen. Bevel is bevel. En die mensen denken niet. Ze zijn erop getraind om op arbeiders te kloppen. Toen ben ik na gaan denken. Wie is dat, die rijkswacht? En ons antwoord daarop was: ‘de wacht van de rijken’. Er komt één rat hun hulp inroepen en ze staan daar met 200 man. Dit alles in functie van het heilige ‘recht op arbeid’. Maar op dat ogenblik is er geen recht op arbeid. Als 95, 96, 97 % van de arbeiders zegt, ‘We staken’, dan is er geen recht op arbeid voor die ene rat. Arbeiders beslissen op een bepaald ogenblik om hun rechten te verdedigen door actie, door een staking. Dat is hun fundamenteel recht. En niemand heeft het recht om die staking te breken of te verzwakken. Ook niet de minderheid van arbeiders die niet akkoord gaat. Dat is een elementaire regel van arbeidersdemocratie. Uit heel die zaak heb ik een belangrijk feit geleerd: praat nooit met een rijkswachter aan een piket. Zeg er niets tegen want ze zijn gevoelloos en hersenloos. Een bevel is een bevel en daar denken ze niet over na. Alles wat je hen zegt, gebruiken ze later toch tegen je. We hadden dus naast de economische macht, onze patroon, ook nog eens de rijkswacht, de militaire macht leren kennen. En die werkten wonderwel samen als het er op aan kwam.

Het stakerscomité kwam elke dag samen en was altijd ter beschikking van de stakers. We vergaderden in de verschillende lokalen. De eerste drie dagen in het Volkshuis, de volgende drie dagen in Het Volk van het ACV. Tijdens de staking was er een zeer goede samenwerking tussen de militanten van de drie vakbonden. Wat wél opviel was dat de secretarissen er amper bij te pas kwamen. Die distantieerden zich zo wat van de staking omdat ze niet erkend was. We hebben dus heel veel zaken op ons eentje moeten doen. Zoals pamfletten schrijven en maken. Initiatieven naar de publieke opinie toe. We gingen naar de markt in Temse, hielden een betoging in Sint Niklaas en zo. We zijn ook naar Cockerill Yards gegaan en naar Langerbrugge met onze pamfletten. In die staking hebben we ook voor de eerste keer liedjes gemaakt en gezongen.

We maakten teksten op bestaande melodietjes en zo kwamen we tot ‘Hand in hand, kameraden’. Het werd hét Boellied, de internationale van de Boelarbeiders. Het zou later trouwens overal overgenomen worden. Dat zat er diep in bij een aantal van onze stakers, dat ludieke, dat spontane, dat creatieve.

In de vierde week kwamen we tot de belangrijkste discussie van de hele staking. Er waren nu ongeveer 900 mensen die staakten, die vier branches dus. Moesten we nu de solidariteit van de hele werf vragen of niet? Want we zaten uiteindelijk met een heel verwarde situatie: 1 900 mensen die staakten. 2. Mensen die verder werkten. 3. Honderden mensen die werkloos waren door die staking. De solidariteit vragen van de hele werf zou eerst betekenen dat de staking uitbreiding nam. Maar... de kans was groot dat na verloop van tijd de minder gemotiveerde mensen de staking af zouden zwakken. De staking ging uit van de mensen die op de schepen werkten, de meest strijdbare arbeiders van de werf. De anderen, die in de ateliers werken, hebben ‘het minder zwaar, koud, vuil, enz. We beslisten dus om de staking te houden op de 900 eerste stakers. Ook van die groep zijn er na verloop van tijd enkelen afgevallen. Financiële problemen die door begonnen te wegen, al eens een vrouw thuis die zei ‘Jij moet hier geld binnen brengen en niet staken. Vooruit’. Wij hebben thuis ook wel eens financiële problemen gehad door een staking. In ’61 bijvoorbeeld. Het stakersgeld was toen nog niet zo veel als nu. En we staakten toch al vier weken toen onze kleinste ziek werd. De dokter werd erbij geroepen en dat kostte 80 fr. Diane moest toen door het hele huis de stukjes van een en van vijf frank bij mekaar zoeken om de dokter te betalen. Ik zei hem nog: ‘Dokter, straks moet je nog met een grote zak rond gaan om al die frankskes mee te dragen.’ En hij zei: ‘Dianeke, ik heb toch liever dat je me een briefje van 100 geeft, weet je.’ Maar we hadden een enkel briefje van 100 meer in huis. Ik wist dus dat het thuisfront in een staking enorm belangrijk was. Normaal gezien schept dat geen problemen. Gewoon al door het feit dat die vrouw haar man jaren aan een stuk bezig hoort, tot vervelens toe, over zijn werk, over de kou, over de hitte, dat ze ziet hoe hij vaker ziek wordt als iemand anders, weet ze dat hij reden heeft tot staken. Maar de mensen worden ook bloot gesteld aan de publieke opinie. De slager die lacht en roept dat de mensen van Temse alleen maar saucissen meer eten’, daar moet je als man en als vrouw bestand tegen zijn. Weten waarom je staakt. En soms lukt dat niet altijd. Vandaar ook onze acties naar de bevolking toe, naar de andere bedrijven, naar de markt.

Iets wat zeker mee speelde in de verzwakking van de staking na enkele weken was het feit dat de directie nog altijd geen teken van leven gaf. Ze wilden niet in onderhandeling gaan. Dan krijg je als staker toch wel het gevoel van ‘alles zit geblokkeerd. Zouden we niet beter gaan werken?’ Dat is een bewuste tactiek van die directie. De mensen wat vermoeien, ze zware financiële problemen laten krijgen, ...

Amada: geen liefde op het eerste gezicht - Boven

In zo’n staking gebeuren nog andere dingen. Je krijgt allerlei vreemde vogels aan de poort. In de staking van ’71 hebben we voor het eerst serieuze contacten gehad met de mensen van Amada, Alle macht aan de Arbeiders. Mensen die niet op het bedrijf werkten, maar toch pamfletten uit kwamen delen over onze staking. We zaten natuurlijk met een boel vragen: ‘Wie zijn ze? Wat komen die hier doen? Staan ze aan onze kant?’. Ze kwamen van de universiteit en ik vond dat ze de arbeiders kwamen beleren. Ik wenste in het geheel niet beleerd te worden. Ons idee was dat wij, als arbeiders, het zelf moesten doen. Dat zat er al diep in vanuit de KWB. Er was nog steeds de spontane reflex tegen alles en iedereen die gestudeerd had. We hadden al zoveel slechte ervaringen met intellectuelen. Zo zagen wij dat. En Amada kwam ons goede raad geven. Dat klikte niet. Wij werkten al ver boven onze mogelijkheden. En zij vonden dat precies allemaal normaal. Ik herinner me nog heel goed dat ze een blad verkochten, dat heette trouwens ook ‘Amada’ en bovenaan stonden daar vijf koppen op. Marx, Engels, Lenin, Mao en Stalin. Als je daar in las, ging het altijd over revolutie en gewapende strijd. Wij waren daar nog niet aan toe; we begrepen dat niet. Maar tegelijk was ons idee: de straat is van iedereen. Iedereen heeft het recht om zijn ideeën te verspreiden. In die zin hebben wij hen gerespecteerd. Ook wel met de vraag in ons achterhoofd: hoe lang gaan ze dit volhouden? Zijn ze geen eendagsvliegen? Is dit geen sociaal toerisme?

De toekomst zou uitwijzen dat ze vol hielden. Dat ze bleven werken met de arbeiders. Dat ze iets te bieden hadden. De toekomst zou ook mijn ideeën over intellectuelen en hun rol in de arbeidersstrijd veranderen.

Uiteindelijk kwamen er toch nog onderhandelingen. We werden naar Fabrimetal [sinds 9/11/2000 heeft Fabrimetal een nieuwe naam: Agoria — MIA] in Gent geroepen. Na de plenaire vergadering, waar iedere partij, zoals gebruikelijk, haar standpunt kon uiteen zetten, werd verder gewerkt in twee groepen. De twee hoofddélégués bespraken met de personeelsdirecteur de manier waarop problemen op de werf een oplossing konden krijgen. Om een einde te maken aan het laten verrotten van de problemen. En ondertussen vergaderde de directie in een ander lokaal met de vakbondssecretarissen. Daar werden een aantal zaken half opgelost en andere helemaal niet. Maar wat we toen nog niet wisten, was dat ze daar nog iets anders uitgebroed hadden. Ze hadden het fameuze ‘protocol’ opgesteld. De directie zal gesteld hebben: ‘Wij doen een aantal toegevingen maar op één voorwaarde: dat er voor eens en altijd een einde komt aan al die spontane stakingen. Op die manier ontredderen ze het hele bedrijf en dat wil ik niet meer.’ Pas later zijn we te weten gekomen wat dat protocol allemaal inhield.

Een stuk in de nacht komt een zogenaamd voorakkoord op tafel. Er stonden positieve zaken in. Zo werd het loonbarema voor jongeren op punt gesteld. De premie voor de nachtploeg werd opgetrokken tot het niveau van Cockerill. De 5 % toeslag voor werk werd vastgelegd. Het principe ‘Eén dag ploegwerk, de hele week ploeggeld’ werd erkend. Maar andere belangrijke eisen zoals hogere ploegenpremies voor vroege en late ploeg werden niet ingewilligd. Alles wat te maken had met controle door vakbondsafgevaardigden op het personeelsbeleid, werd herleid tot een beperkte informatieplicht door de directie. Ze zeiden ons: ‘Dit is een voorakkoord, parafeer het maar. We begrijpen wel dat jullie dat nu eerst willen voorleggen aan de basis. Maar dan praten we later wel verder.’ En wij hebben het geparafeerd. En daar precies zijn we in de fout gegaan. We hebben de resultaten van die onderhandelingen niet ten gronde uitgediscussieerd in het stakerscomité. Om dan naar de stakersvergadering te kunnen gaan met een eensgezind standpunt. Op die stakersvergadering hebben de provinciale secretarissen zich werkelijk uitgesloofd om het akkoord te verdedigen. Uiteindelijk kwam het tot een stemming. En ondanks al dat syndicale weerwerk van de secretarissen, stemde toch nog 60 % van de arbeiders tegen het voorstel. Statutair niet genoeg om het voorstel te verwerpen. Hadden we toen serieus van ons af kunnen bijten met het stakerscomité, dan was dat akkoord er nooit door gekomen en was de staking doorgegaan.

Een sociale bemiddelaar wil vooral sociale rust - Boven

De staking was afgelopen en Boel kon weer volledig aan de slag. De tweede of de derde dag dat we weer aan het werk zijn, komt die sociale bemiddelaar op de werf. Hij wil alle délégués, militanten en verkozenen samen bij zich op het bureau. Met een air van ‘Nu zal ik het eens zeggen’ komt hij binnen. Hij doet zijn mond open en zegt: ‘Gezien de staking en de omstandigheden op de werf hebben we een protocol opgesteld dat vanaf nu voor iedereen zal gelden.’ Hij legt ons die tekst voor en we beginnen te lezen. In een eerste deel staat hoe de kredieturen voor de délégués en verkozenen van de Ondernemingsraad en het Comité voor Veiligheid en Gezondheid zal werken. Dan nog een paar minder belangrijke punten. Maar dan kwamen we aan het vierde punt: ‘Arbeidsvrede’. Daar lezen we dingen als: ‘Mandaatdragers die verantwoordelijk zijn voor overtreding van de procedure moeten door hun syndicale organisatie geschorst worden en bij herhaling van hun mandaat ontheven.’ En ook ‘Onregelmatige stakingen zullen door de vakbonden niet gesteund worden en door de directie wordt een afname gedaan op de eindejaarspremie en jaarmarktvergoeding.’ Samengevat kwam de hele zaak hier op neer: op Boel zouden er geen spontane acties meer losbreken. Als dat wel het geval was, zouden ze zeker niet gesteund worden door de délégués. Als die délégués dat wel deden, zouden ze gestraft of afgezet worden door hun leiding en de stakers zelf zouden financieel gestraft worden. We lagen dus goed aan banden. Dààrom hadden ze zo lang apart onderhandeld. De sociale bemiddelaar leest heel de tekst heel koeltjes voor, pakt zijn leren boekentasje en verdwijnt weer. Ons allemaal in opperste verstomming achter latend. Wij die altijd dachten, een sociale bemiddelaar, dat is toch iemand die ook eens met de arbeiders praat, die voeling heeft met het volk. We hebben daar zijn ware karakter leren kennen. Sociale bemiddelaars zijn gewoon ambtenaren van de regering. En wie is die regering?

Dat protocol was een echte domper op onze syndicale werking. Wij die de afgelopen jaren er een politiek van gemaakt hadden, de spontane acties te ondersteunen, de mensen te laten spreken, wij lagen met handen en voeten gebonden aan de ‘Arbeidsvrede’.

Tijd brengt raad - Boven

Velen dachten: op Boel gebeurt er vanaf nu niets meer. Vooreerst kunnen de arbeiders niet meer. En bovendien kunnen de délégués hen niet meer aanmoedigen. Die gedachte deelde ik zeker niet. Hoe moeilijk iets ooit geweest is, hoe diep het ook in ons vlees snijdt, ... de tijd heelt alles. Een mens is niet gemaakt om over de grond te kruipen. Een slang wel, of een pier. Maar een mens niet. Een mens is gemaakt om overeind te lopen, met zijn kop in de lucht. Je kunt hem niet programmeren als een computer.

Dat geloof in de arbeiders is later waarheid geworden. Op 14 maart 1972 al eisten de militanten de schrapping van de sancties. ‘Dat protocol moet weg. Die arbeidsvrede kunnen ze ons niet langer opleggen.’ Zo’n ondemocratisch ding, de arbeiders zo aan banden willen leggen, ons zo aan het kapitaal willen binden, dat niet. Wij willen mens zijn, we willen vrij zijn, spontaan en democratisch kunnen handelen, ... We hebben vanuit die vergadering de opdracht gegeven aan de vakbondsleiding om met de directie te gaan praten, om dat protocol te schrappen. Met veel tegenzin hebben ze dat gedaan en na moeizame onderhandelingen is het ons dan ook gelukt. Op 19 september ’72 werd de paragraaf ‘arbeidsvrede’ geschrapt.

5. Wij, Ali, op de Boelwerf - Boven

We zagen regelmatig groepen vreemde arbeiders over de werf lopen. Mensen die niet echt op Boel werkten maar daar voor één enkele opdracht kwamen. Die speciale jobs werden in ‘onderaanneming’ gegeven. We wisten in feite niet zo goed wie ze waren, wat ze kwamen doen, hoelang ze er zouden blijven, enz. De mensen van de Ondernemingsraad stelden er een aantal vragen over. En vanuit de bevoegdheden van die Ondernemingsraad, was de patroon wel verplicht een aantal inlichtingen te geven. Wie kwam er? Voor welke werken? Met hoeveel? Maar van als ze aan het punt van de arbeids- en loonvoorwaarden kwamen, was het afgelopen met de informatie. Daar hadden ze niets mee maken. En vanaf dat ogenblik werd het een zaak voor de syndicale delegatie. Op een bepaald ogenblik speelde de Ondernemingsraad ons door dat er een groep hooggespecialiseerde Franse schrijnwerkers op de werf kwam werken. Volgens de directie ging het om een hooggespecialiseerd werk dat onmogelijk door onze eigen mensen gedaan kon worden. Maar met die uitleg waren we niet tevreden. We vermoedden dat ze sterk onder het normale loon werkten. En uiteindelijk slaat dat terug op de eigen arbeiders. Als één groep goedkoper werkt, slagen ze er altijd wel op de een of andere manier in om het loon van iedereen naar beneden te krijgen. Eén van onze délégués sprak wat Frans en we daalden dus op een dag af in het ruim van dat speciale schip. Het eerste wat me opviel, was die terughoudendheid, een zekere angst zelfs. In zo’n geval zouden sommige délégués redeneren: ‘We hebben geprobeerd. Maar zij willen er niet op ingaan. Het ligt aan hen als hun situatie niet in orde is.’ Dat is de eeuwige schuldtheorie naar onder. De fout altijd leggen bij de arbeiders omdat je je eigen verantwoordelijkheid als délégué of vrijgestelde niet correct ziet. Als je zo iets meemaakt, moet je verder gaan nadenken. Je stelt vast dat je moeilijk contact kunt leggen. Vanwaar die angst? Daar moet je over nadenken. Je moet je realiseren dat die mensen in een vreemd land zitten. Dat ze enorm afhankelijk zijn. Dat moet je allemaal ontleden en bespreken met je militanten en délégués. En van daaruit nieuwe contacten leggen. Geduldig. Kleine middelen zoeken. Tot er een kentering ontstaat en er een band komt. We hebben daar toen weken over gedaan. Maar het is ons uiteindelijk gelukt. We kwamen te weten wie ze waren, welke voorwaarden in hun contract opgenomen werden, wat hun loon was, hun verplaatsingsvergoeding, hun logies, ... Dan constateerden we toch weer dat er wettelijk bijna niets in orde was. Eén van de dingen, die we dan ook direct aangepakt hebben, was hun loon. Ze werkten 50 à 60 fr. per uur onder het officiële Boelloon. En dat waren dan de grote specialisten. We speelden dat door naar de vakbond en stelden ‘Dat kan niet. Gelijk loon voor gelijk werk. Een arbeider is een arbeider.’ En ik moet zeggen dat we rond dat principe en onze acties de volledige steun kregen van onze secretarissen. Er werd wat over en weer gepraat maar uiteindelijk kwam er niets uit de bus. Onze contacten met de groep werden steeds uitgebreider. Ik had ‘Hand in hand’, ons lijflied naar het Frans laten vertalen door één van mijn kinderen thuis en dat zongen we dan als we in het ruim afdaalden. Ik sprak geen woord Frans maar op dergelijke ogenblikken zie je dat arbeiders mekaar zo ook wel begrijpen. Ik heb daar ooit eens een hele uitleg gegeven, praktisch volledig in het Nederlands maar met handen en voeten, en al mijn gevoel. En ze begrepen me! Het gevoel dat we allemaal één klasse waren en dus samen moesten werken, groeide steeds maar. En wat de directie en de werkleiders voor onmogelijk gehouden hadden, gebeurde toch. De Fransen kwamen uit hun ruim, van het schip af en we trokken voorbij de directieburelen naar een vergaderzaal buiten de werf. Eenmaal buiten de werf voelden die mensen zich veel vrijer en kwamen alle problemen op tafel. Hun slechte contract, een erbarmelijk logies, het aantal uren dat ze moesten werken. We zijn tenslotte met al die feiten naar de directie getrokken en na veel gepalaver kregen we dan toch recht. De Fransen kregen een loonopslag van 50 fr. per uur.

Mühlhan: een zaak van Turken en Belgen - Boven

De Fransen waren echter geen alleenstaand geval. Eén van de meest indrukwekkende acties die we rond het probleem van de onderaannemingen gevoerd hebben, was de zaak Mühlhan. Mühlhan was een ‘conserveringsbedrijf’. Daar werkten vooral Turkse gastarbeiders. Ze werkten op de vuilste plaatsen van het schip met alle mogelijke en onmogelijke ongezonde producten. Het was echt zielig om die mannen op het einde van de dag naar boven te zien komen. Helemaal onder het vuil. Ze hadden echt het vuilste werk van de hele werf. Een aantal van onze mensen had, via hun werk, wat contacten met de arbeiders van Mühlhan en wisten ons na een paar dagen wat informatie door te spelen. Bleek dat Mühlhan een Duitse onderneming was, met veel Europese vertakkingen. Ze werkten ook in Hoboken, in Nederland, ... Hun contract klopte niet, hun werktijden, hun loon, hun kindergeld was niet in orde, ... Uiteindelijk was er niets zoals het moest maar die Turken waren al blij dat ze een job hadden. Daar rekende Mühlhan dan ook op. Hij profiteerde van hun onwetendheid over de sociale wetten in dit land en van hun rechteloosheid als arbeider om hen dubbel uit te buiten. Op een bepaald ogenblik komen ze samen buiten de werf en met een aantal délégués zijn we daar naar toe getrokken. Die mannen waren zielsgelukkig. Er ontstond echt vertrouwen, een vriendschappelijke band tussen ons en hen. We beloofden hen, via de vakbond, een oplossing te vinden. Maar zeker de ACV-secretaris wou zich niet te veel van die vreemdelingen aantrekken. ‘Er zijn er weinig van bij ons aangesloten. Het zijn bijna allemaal ABVV’ers.’ Maar we bleven met de Turken contact houden en uiteindelijk legden zij het werk neer. We zouden samen komen in de refter om alles eens goed te bespreken. En ik zou de zaak vooraf bespreken met de délégués. Op die déléguévergadering zijn er harde discussies geweest. Ze zagen het probleem wel in maar ik kon ze maar niet overtuigen ook effectief mee te doen. Ze wilden het eerder aanpakken volgens de normale contacten, via secretaris en directie. Maar wij wisten hoe de Turken al de deuren van de vakbondssecretarissen plat gelopen hadden. We hadden echt de scherpte van de problemen aangevoeld op die vergadering buiten de werf. En daarom zijn we ook door gegaan. De hoofddélégué van het ABVV ging mee tot aan de deur van de refter en zei: ‘Ik zal mijn secretaris op de hoogte brengen maar ik trek me er verder niets meer van aan.’ Dat heeft me toen wel pijn gedaan. Nu, met de secretaris van de Ondernemingsraad ben ik dan toch de refter binnengetrokken en hebben we met de Turken gesproken. We stelden ‘Jullie zouden je eigen vertegenwoordigers moeten hebben.’ En direct werden die verkozen; een voor het ACV en een voor het ABVV. Stellen die délégués direct: ‘Wij gaan hier niet meer buiten. We staken’. En de refter was bezet. Wij naar onze secretarissen. Die zeiden ‘Je moet ons niet langer lastig komen vallen rond die zaak. Al blijven ze daar een week zitten.’ De Turken antwoordden: ‘Dan blijven we hier een week, tot ze afkomen.’ Die mannen hadden werkelijk een onvoorstelbaar organisatievermogen. Onmiddellijk werden de vrouwen verwittigd, er kwam eten, ... Ik stond er zelf verstomd van. Uiteindelijk, na eindeloos heen-en-weer getelefoneer komen die secretarissen ’s avonds toch nog af. Eén van die Turkse délégués sprak zeer goed Nederlands en begint die zaak uit te leggen. Zo is die zaak aan het rollen gegaan en werd er iets later een akkoord getekend. En van dan af aan hebben de secretarissen er ook hun zaak van gemaakt. Alle punten werden behandeld en ze kregen totaal dezelfde rechten als de arbeiders van Boel zelf. We hebben later nog acties gevoerd, samen met die Turken. En wat me altijd heel erg onder de indruk bracht, dat was hun vastbeslotenheid. Als die eenmaal iets beslist hadden, dan kwamen ze er niet meer op terug. Dan weken ze daar geen duimbreed meer van af. Die lotsverbondenheid, dat gevoel van samenhorigheid tussen Turken en Belgen, dat was een heel mooi gevoel. Dergelijke acties verruimen ook je gezichtsveld, dat besef dat er nog iets meer is buiten Boel. Werken voor de arbeidersklasse is meer dan werken op Boel alleen. Dat heb ik daaruit geleerd en nooit meer vergeten. Dergelijke ervaringen sterkten mij in de overtuiging dat onze klasse één is. Belgen, Turken, Marokkanen, Italianen, Algerijnen, Fransen, we moeten allemaal onze arbeid verkopen aan dezelfde kapitalistenklasse. Daar ligt onze eenheid als klasse. Daarom ook dat ik het racisme zo verderfelijk vind. En tegelijk kun je vaststellen dat, als je die ideeën naar de arbeiders over kunt brengen, als je de inzet van de zaak uitlegt, als je de situatie en de rechteloosheid van die Turken beschrijft, ... dan begrijpen de arbeiders je en steunen ze je actie en je optreden.

Op zoek ... buiten de muren: overal strijd - Boven

Verder kijken dan Boel groot was, betekende voor ons ook: ‘Buiten de onderneming treden’. Bezig zijn met alles wat er in de maatschappij rondom ons gebeurde. Een eerste aanzet daartoe was, zoals gezegd, de periode ’68 tot ’70 geweest. De mijnstaking in ’70 bijvoorbeeld. Het was een spontane staking, niet erkend door de vakbond en ook niet uitbetaald. We wisten hoe hard die mensen moesten werken, hoe gevaarlijk dat werk was. Op Boel waren we erg begaan met die staking en we organiseerden spontaan een omhaling. Ook al was dat tegen de zin van de vakbondsleiding. Na twee omhalingen hadden we 35.000 fr. bij mekaar gehaald. In ’70! Dat betekende toch al iets. Dat duidde vooral aan dat de klassesolidariteit bestond bij ons. We zijn naar Vielle Montagne getrokken. Daar hebben we met de délégués de arbeiders gesproken en onze solidariteit betuigd. Die realiteit, die stakingen, heeft ons altijd meer geleerd dan vele vakbondsvergaderingen bij mekaar. In ’73 was er de dokstaking. We hadden veel contacten met die mensen. We haalden geld om en we hebben zelfs een avond georganiseerd op de parochie. Het weer een van die moeilijke stakingen. Gent en Antwerpen lagen plat. Maar de vakbondsleiding erkende niet en betaalde niet. Doch de mannen staakten door. We volgden met veel interesse de discussies tussen de verschillende strekkingen binnen het stakerscomité: Amada, KP, ...

Een andere zaak die we met veel belangstelling volgden, was de bezetting van LIP, de horlogefabriek in het Franse Besançon. Ze produceerden verder in zelfbeheer. Dat sprak ons geweldig aan. We hebben de stakers nog naar hier uitgenodigd om te discussiëren over actievormen, over zelfbeheer. En dichter bij huis was er de Lee-staking. De vrouwen voerden actie tegen het onmenselijke premiestelsel in hun fabriek. We hebben hen geholpen met het op poten zetten van hun actie, we hebben samen liedjes gemaakt. Met andere woorden: overal waar er actie was, waar er gestaakt werd, daar waren wij te vinden om te discussiëren, te helpen, te luisteren, te leren. Ik heb toen ook een klein toneelstuk geschreven: De grote waarheid. Het ging over dat onmenselijke premiestelsel, over het feit dat de vakbondsleiders dat te veel toedekten en te weinig reageerden. Ik denk dat het feit dat wij ons zo betrokken voelden bij al die stakingen, één van de redenen geweest is van de enorme golf van solidariteit die later rond Boel losgebarsten is. Het feit dat we door heel syndicaal België bekend stonden als een groep mensen die niet alleen de eigen problemen belangrijk vonden.

Actiegroepen en comités - Boven

Vanaf ’71 kregen we een stroomversnelling in het ontstaan van actiegroepen en comités allerhande. Een aantal progressieve mensen, sterk christelijk geïnspireerd, richtte de groep ‘Actie rechtvaardigheid’ op. We werkten rond de fundamentele gelijkheid van alle mensen. We deelden bijvoorbeeld pamfletten uit aan de uitgang van de kerk waarin we stelden dat het niet rechtvaardig is dat je, hoe meer geld je had, hoe beter en schoner je begraven kon worden. Of we kochten in het station een ticketje tweede klas en gingen toen in eerste klas zitten. We werden eruit gezet, politie erbij, soms een paar uurtjes in de bak. Ook aan de klinieken hebben we pamfletten uitgedeeld. Hoe onrechtvaardig we het vonden dat madame van de notaris met een ingegroeide teennagel in een aparte kamer kon liggen, terwijl een arbeidersvrouw met een erge ziekte in een drukke zaal of zelfs in de gang moest liggen omdat ze niet evenveel geld had. Ze verwijten ons dat we over ‘klasse’ spreken. Maar ze delen ons zelf voortdurend in in klassen. Overal ontstonden in die tijd comités. Je had het Groot Arbeiderscomité en het Alarmcomité dat daar een plaatselijke afdeling van was. Als er iets te doen was bij Lee of bij IMC, we stonden er, met pamfletten, met onze steun. Maar in die comités werkten mensen van allerlei strekkingen. Niet alleen christelijke arbeiders. Ook mensen uit de KP, de RAL, Amada, militanten uit verschillende bedrijven... Dat zat er allemaal bij mekaar. Je kunt al denken dat de KWB-leiding en vooral de ACV-leiding daar niet zo gelukkig om was. Hun mensen die dag in, dag uit met ‘andersdenkenden’ in contact kwamen en er mee samenwerkten.

Onze bevindingen als christenen waren de volgende: wij wisten dat de bezittende en heersende klassen nooit zomaar hun macht en voorrechten zouden afstaan. Ook wisten we in die periode heel goed dat ze die macht niet ten dienste en in functie van het volk zouden stellen. Dat beseften we toen maar al te goed. Bijgevolg: als we iets wilden bereiken dan zou dat altijd zijn op basis van strijd tegen die machten. Die strijd kon alleen van het volk komen. Dat was een vaststelling.

Anderzijds was het zo dat wij overtuigde christenen waren: wij waren door en door christelijk. En ook daar rond kwamen we tot een belangrijke vaststelling. Er was een conventioneel christendom. Christenen die conventioneel waren door hun burgerlijke bevoorrechte situatie, sociale status en dergelijke. Die conventionele christenen wilden niets van het marxisme weten. Noch van hun strategie, noch van de idee van de klassenstrijd. Die wensten dat niet te begrijpen, laat staan te aanvaarden. Ook waren er de feiten. Zij verdedigden de klassenverzoening. Zij beweerden dat een maatschappijsysteem waar er armen en rijken waren een zeer normaal gegeven is. Ze trachten dat te bewijzen met de bijbel. Maar wij, de progressieve christenen stelden net het tegenovergestelde vast. Er worden miljoenen mensen geboren in de grootste armoede. Miljoenen worden onderdrukt. Bij hen was de tendens om zich daaruit te bevrijden zeer sterk aanwezig. In die situatie van armoe en onderdrukking beseften christenen dat men naar de marxistische strategie moest grijpen. Omdat er geen andere weg was dan het voeren van die volksstrijd. Zodus: twee tegengestelde stellingen binnen het christendom.

Het merkwaardige van die twee groepen was wel dat beiden steunden op de bijbel en het evangelie. Ze gaven er elk hun eigen interpretatie aan. Ik besloot daaruit dat de bijbel een trui is die je naar alle kanten kunt trekken. Maar niettegenstaande die twee strekkingen, niettegenstaande die conventionele en die progressieve, toch was het christendom voor ons de inspiratiebron. Het was nog steeds het christendom dat ons leidde tot strijdbaarheid en inzet.

Maar voor mij was dat een enorm leerrijke periode. Ik kwam zoveel mensen, met zoveel ideeën in contact. Het Groot Arbeiderscomité richtte volkskampen in, waar we met de hele familie naar toe trokken. Veel sfeer. Daar leerden we Vuile Mong kennen, en de Nieuwe Scène. Op een bepaald ogenblik kwamen we met een aantal mensen tot de conclusie dat we een platform moesten uitwerken, onze doelstellingen. Een tekst, een programma waar iedereen achter kon staan, En dat we vervolgens met dat programma naar buiten moesten treden. Toen zijn de problemen begonnen, we zaten met zoveel verschillende mensen en zoveel verschillende opvattingen dat het comité langzaam maar zeker doodbloedde. We waren op zoek gegaan. We hadden ramen en deuren van de vakbondslokalen open gegooid. Maar we waren nog niet toe aan een partij met een wetenschappelijke aanpak van de maatschappelijke problemen, van de bevrijding van de arbeidersklasse.

In die jaren groeide het besef dat je verschillende soorten intellectuelen had. We hadden immers al zo vaak gezien, op de werf, dat de directie het intellect afkocht, inhuurde. Hoe de intellectuelen betaald werden om uiteindelijk betere plannen om ons eronder te houden, op poten te zetten. Hoe ze hun wijsheid en hun intellect altijd maar verkochten aan de heersende klasse.

In al die stakingen zagen we echter dat intellectuelen ook iets binnen konden brengen bij de arbeidersklasse, door hun gestructureerde, wetenschappelijke manier van werken. Maar toch nog altijd dat wantrouwen. Zouden ze aan onze kant blijven? Dat er intellectuelen waren die echt aan onze kant stonden, hebben we eigenlijk voor het eerst, meer dan ooit tevoren, echt erkend, bij de mensen van Geneeskunde voor het Volk, de dokters van Amada. Die mannen hadden een principe dat een dokter betaalbaar moest blijven voor de gewone mensen, dat dokters al genoeg verdienen en bovenal dat geneeskunde in feite gratis zou moeten zijn. De mens wordt ziek van zijn werk en dan moeten ze niet nog eens betalen om weer gezond te worden, om weer de fabriek ingestuurd te worden. En dus werkten ze aan terugbetalingstarieven. Dat sprak ons erg aan. Kris Merckx en Leyers van Hoboken waren al verschillende keren komen spreken in Sint Niklaas op onze uitnodiging. Op een bepaald ogenblik komt Kris toch wel in botsing met de Orde van Geneesheren wegens ‘oneerlijke concurrentie’. We lieten onze bewondering voor die dokters niet bij woorden en dus trokken we met een Boeldelegatie naar het gebouw van de Orde van Geneesheren waar de zaak voorkwam. Amada had opgeroepen om daar massaal aanwezig te zijn, om zo de dokters te steunen. We staan daar wat rond het gebouw te draaien en te roepen.

Vanuit Leuven kwamen er enkele bussen studenten toe, die allemaal achter die principes stonden. Die, net als wij, tegen het ‘drie-minuten-verkeer’ bij de dokter waren. Die tegen de dokters waren die de gemakkelijke weg kozen en opschepten over hoeveel klanten ze die dag ‘gedaan’ hadden en hoe ze de volgende dag hun record zouden breken. Daartegenover stonden dan die andere dokters, ook intellectuelen, die net als de mannen van de Orde een gemakkelijk leven hadden kunnen hebben, veel geld verdienen, maar die dat bewust niet deden. Het feit dat intellectuelen zo’n bewuste keuze konden, durfden en wilden maken en daar dan ook de gevolgen van wilden dragen, vond ik fantastisch. Daar ben ik toch een beetje mijn gedacht over intellectuelen gaan veranderen. In elk geval, we hebben daar heel veel gediscussieerd, met de arbeiders, met die studenten, met de mensen van Amada natuurlijk. En op een bepaald ogenblik begint hetzelfde spelletje natuurlijk weer. Eerst stond de politie van Antwerpen gemoedelijk wat te praten met de mensen. ‘Ze konden het allemaal wel begrijpen’. En ‘Ze waren ook voor Merckx’ zo. Het bevel komt om de straat te ontruimen en prompt beginnen ze op je te kloppen. Mijn vrouw kreeg daar ook nog een paar flinke klappen omdat ze de straat niet vlug genoeg ontruimde. Het kan best dat je als arbeider nooit een advocaat of een notaris nodig hebt. Maar een dokter, die heb je altijd wel nodig. Vandaar die directe betrokkenheid bij wat de mensen van Geneeskunde voor het Volk deden, voor de principes waarmee ze werkten. Maar als we het hebben over intellectuelen ten dienste van de arbeidersklasse gaat het natuurlijk om veel meer. Het gaat om dokters, advocaten, sociologen, noem maar op. Ze hebben hun verstand mogen ontwikkelen op school of aan de universiteit. En vandaag zien we dat er zijn die zich ten dienste stellen van de gemeenschap, die dat verstand gebruiken om een echte arbeiderswetenschap, het marxisme te leren kennen, te leren begrijpen en door te geven. Een wetenschap om de maatschappij te veranderen.

Asbest: onzichtbaar... en toch - Boven

Vanuit die principes die we terugvonden bij Geneeskunde voor het Volk, waren we erg begaan met de gezondheid van de mensen op de onderneming. We werden er vaak geconfronteerd met nieuwe producten en nieuwe technieken. We hadden al wat problemen gehad met marineit, een bepaalde stof die in platen wordt gedrukt en heel veel stof afgeeft. Voor een bepaald schip moesten we met nog iets nieuws werken. We gebruikten die platen voor het opbouwen van de kajuiten. Daar kwam toch zoveel stof bij dat we het zaakje niet meer vertrouwden. Ik had iets gelezen over asbest en dacht al: ‘Hier klopt iets niet’. We onderzoeken de zaak en inderdaad, we waren met blauwe asbest aan het werken. Maar wat was dat precies, die asbest? Ik las eerst een boek uit Nederland Asbest in een bedrijfsbevolking. Dat leerde al een heleboel. In Nederland was het werken met blauwe asbest toen al verboden. Toen ik echter meer concrete gegevens wou hebben over de reële invloed op de gezondheid van de Boelmensen ging ik naar onze arbeidsgeneesheer. Die man deed daar vreselijk geheimzinnig over. ‘Ik weet wel iets maar ik kan daar niet veel over zeggen.’

Ik stond verstomd. Die man had de plicht mij alles te vertellen over asbest maar was waarschijnlijk te bang. En over die arbeidsgeneeskunde hadden onze vakbondsleiders zo enthousiast gedaan indertijd. Nu was het gedaan met de dokter van de baas die alleen maar zei: ‘Hoeveel weeg je? Niet ziek zeker? Allé, vooruit.’ Nee, nu hadden ze speciale faculteiten aan de universiteiten en de dokters zouden niet langer meer voor de bazen werken maar voor een dienst, een firma. Wat ik wel al wist was, dat asbest een stof was, een vezel die vrij kwam tijdens de bewerking. Die vezel is niet zichtbaar. Je ademt die in, hij zet zich vast in je longen en maakt die kapot. Je krijgt er asbestose van. Ik ben dan nog naar Leuven getrokken, gaan spreken met een aantal studenten die een werkgroep hadden rond asbest in de bedrijven. We trokken met die resultaten naar de directie en we eisten dat dat asbest niet langer gebruikt zou worden. Maar die deed natuurlijk of haar neus bloedde. Later kwamen we te weten waarom we nu per se met die asbestplaten moesten werken. Die waren goedkoper dan de andere platen en bovendien onbrandbaar en onverslijtbaar. Lagere prijs, dus asbest betekende meer winst voor de patroon en de gezondheid van de arbeiders naar de knoppen. Op de werf discussieerden we zoveel over asbest dat een aantal arbeiders er toch eens iets over las. Ondertussen hadden we een affiche gemaakt met een lijkwagen. En daarboven de tekst: ‘Wil je een enkele reis in deze wagen met chauffeur? Verwerk asbest!’ De chef liet in paniek de affiches weer weg halen. En toen kwamen er onderhandelingen. Tot ze toegaven dat we niet meer met blauwe asbest moesten werken. Maar ... dat schip moest toch afgewerkt worden. Die periode werd dan verloond. We kregen een toeslag van 9 %. We kregen betere veiligheidsmaatregelen tijdens die resterende periode. Naast elke man die asbest moest verwerken, kwam een andere te staan met een grote stofzuiger die alle vezels weg moest nemen. Er zijn nu effectief een aantal mensen van Boel die lijden aan asbestose. Het is een erkende bedrijfsziekte en dus krijgen ze een uitkering. Dat is juist maar uiteindelijk hebben de mensen toch liever hun gezondheid dan een uitkering van het fonds voor beroepsziekten.

6. Toneel als wapen: ‘De Barst’ - Boven

Eind ’74, begin ’75 waren het Groot Arbeiderscomité en het Alarmcomité verdwenen of op sterven na dood. Maar het creatieve, het weerbare bleef leven binnen onze groep. Na De grote waarheid werden we aangemoedigd om in die richting verder te gaan. Samen met nog een aantal andere mensen die op zoek waren hebben we toen ‘Barst!’ opgericht, een volkstoneelgroep. We maakten vooral stukken rond arbeidersproblematiek en algemeen maatschappelijke problemen. We toonden de mensen hoe arbeiders op de fabrieken uitgebuit werden, hoe ze hun hele leven eigenlijk onderdrukt werden. Onze stukken trokken scherp van leer tegen de vakbondsleiders die problemen toedekten en zich vastbeten in het overleg. Ook de burgerlijke politieke partijen kregen er van langs. Titels als Drie handen op ’n buik en De lege zakken en de volle zakken zeggen al genoeg. Voor ons was het belangrijk dat we niet zomaar een rolletje van buiten leerden maar dat we alles zelf schreven, creëerden. We dweilden letterlijk heel Vlaanderen af met onze voorstellingen. Zo werden we ook eens uitgenodigd door de KAJ van Dendermonde. Die hadden de voorzitter van de metaalcentrale uitgenodigd, Gerard Heiremans. Dat was natuurlijk een geweldige confrontatie. Het waren weer eens de mannen van Boel! We hadden het er in onze groep al regelmatig over gehad dat we al onze kritieken, al onze bemerkingen en al onze voorstellen rond de vakbondswerking eens op papier moesten zetten. En om de één of andere reden begint Karel daar alleen aan en geeft hij de brochure Vakbonds(mis)leiding uit. Heel wat vakbondsleiders gebruikten dat als aanleiding om te zeggen: ‘Nu is het genoeg. Zo iemand hoort niet thuis in de vakbond en zeker niet als gemandateerde of militant’. Karel werd afgezet en mocht ook niet meer opkomen bij de volgende verkiezingen. In diezelfde periode had Luc Weyn zijn kandidatuur gesteld voor de militantenkern. Enkele ‘behoudsgezinden’ zijn tegen hem een onvoorstelbare campagne van roddel, halve waarheden en leugens begonnen. Hij zou van Amada zijn, zou al uit de Volksunie gezet zijn, enz. Dat kwam dan uit de mond van christenen, van mensen die zich beriepen op ‘eerlijkheid’, op ‘de mens eerst’. Echt hypocriet was dat. Wij hebben de zaak openlijk aangeklaagd op een algemene vergadering. Met naam en toenaam. Maar er kwam geen wederwoord van de roddelaars. Door het naar de arbeiders te brengen is in elk geval de basis gelegd waardoor Luc Weyn later wél militant en zelfs délégué is kunnen worden. Voor de zaak van Karel zijn we twee keer met een groep arbeiders naar het ACV-lokaal getrokken. De zaak is dan ook voorgekomen op het ‘Beroepsverbond’, het bestuur van de streek met vertegenwoordigers van alle metaalbedrijven. Ik zat daar namens Boel. En ik heb Karel met hand en tand verdedigd maar we konden het niet halen. De secretaris had zijn mensen blijkbaar goed klaargestoomd. Iedereen was gewoon te bang om ten voordele van Karel en Luc tussen te komen. En dus bleef Karel van de lijst. Op de militantenvergadering waar Heiremans tenslotte de beslissing moest meedelen, was ik niet aanwezig. Mijn moeder was toen heel plots gestorven. Ik heb gehoord dat Karel zich toen heel sterk heeft verdedigd. De militantengroep heeft toen blijkbaar ook geen ijzer meer kunnen breken. In diezelfde periode deden de eerste geruchten de ronde dat ook Cap van de lijsten geweerd zou worden. Blijkbaar hebben ze ons toen niet samen aan durven pakken. Ik kreeg wel een serieuze verwittiging, dat ik me moest houden aan de standpunten en de statuten van de vakbond. Karel is dan later ook nog als lid van het ACV geschrapt. Het verlies van zo’n kracht kwam zwaar aan voor de syndicale werking. Maar met onze groep waren we meer dan ooit vastbesloten ons werk binnen en buiten de vakbond verder te zetten. Dat wisten de anderen ook wel. Ze vonden het dus tijd wat orde op zaken te zetten en de rangen te sluiten.

Het onaanvaardbare memorandum - Boven

De vakbondsleiding stelde een memorandum op. En elke militant moest dat tekenen, hun richtlijnen onderschrijven. Anders konden we niet langer in de vakbond blijven werken. De belangrijkste punten kwamen hier op neer: we moesten in de lijn van de vakbond werken, geen lid zijn van of sympathieën hebben voor ‘anti-vakbondsgezinde organisaties’. Wel zou de syndicale delegatie nu op dezelfde democratische wijze verkozen worden als ondernemingsraad en het Comité voor Veiligheid en Gezondheid en degenen die zich kandidaat stelden mochten niet cumuleren op de diverse lijsten. We hebben daar zeer lang over gediscussieerd, of we dat nu wel of niet zouden of konden ondertekenen. Collectief werd beslist om dan toch maar te tekenen of het was helemaal met ons gedaan. Onze syndicale werking zou toch blijven wat ze tot nu toe geweest was. Dat stond als een paal boven water. Hoeveel memoranda ze ons nog zouden laten tekenen.

De verkiezingen van ’75 - Boven

Begin ’75 kwamen er verkiezingen voor de syndicale delegatie. Er was beslist dat alleen de hoofddélégué mocht cumuleren met mandaat in de ondernemingsraad of het comité. Het ACV organiseerde dus op het bedrijf eerst syndicale verkiezingen. Maar de afzetting van Karel en de weigering van Luc Weyn had natuurlijk voor flink wat opschudding gezorgd onder de arbeiders. En een groep van echt gerevolteerde militanten en arbeiders riep in de kieslokalen met slogans en het roepen van nummers de arbeiders op te stemmen voor die kandidaten die rond de afzetting een principiële houding aangenomen hadden. De uitslag was dan ook voor iedereen verrassend. Een aantal ‘vaste waarden’ die normaal zonder problemen verkozen zouden worden, waren er niet meer bij. Ze hadden een onduidelijke of negatieve houding ingenomen rond de zaak van Karel en Luc. Grote paniek natuurlijk. De verkiezingen werden door de leiding geannuleerd. In overeenstemming met de andere vakbonden en met de directie werden nieuwe verkiezingen uitgeschreven. Maar nu op hetzelfde moment als de wettelijke verkiezingen voor ondernemingsraad en comité én waarbij elke arbeider, tot welke vakbond hij ook behoorde, voor om het even welke kandidaat van om het even welke vakbond kon kiezen. In feite was dat altijd al onze bedoeling geweest. Dat zijn pas echte democratische en vrije verkiezingen, zoals de arbeiders het willen. Tot dan toe werden de mandaten verdeeld zoals ze uit de verkiezingen voor comité en ondernemingsraad kwamen: 5 voor het ACV, 5 voor het ABVV en 1 voor het ACLVB. Het werd 7 — 3 — 1. Ik zelf haalde 797 stemmen.

Hoe kom je nu tot zoiets? Tja, door niets te laten liggen. Je weet dat de arbeiders vrije en democratische verkiezingen willen. Wel, spreek er over, discussieer er over. Breng zaken in beweging. Dan pas kan er iets veranderen. Hoe moeilijk of onmogelijk iets ook lijkt: begin er aan, werk er aan. Probeer altijd je idealen te realiseren. Nooit stil zitten. Dan bereik je iets.

De eenheidsvakbond op Boel - Boven

Hoewel we regelmatig samenwerkten met de andere vakbonden was het toch nog altijd zo wat ‘elk in zijn eigen kapel’. Vanuit onze ACV-groep hadden we al vaak aangedrongen op een betere samenwerking. De toenmalige ABVV-hoofddélégué ging op pensioen en dus moest er een nieuwe hoofddélégué komen. En in ’75 gebeurde waar ik al een hele tijd op zat te wachten. Ik sta in mijn atelier te werken en plots komt er een grote, brede kerel binnen. José De Staelen. De nieuwe hoofddélégué van het ABVV. Ik kende hem wel van vroeger, altijd een actieve militant. Hij kwam eens met me spreken, zei hij. En hij had twee belangrijke dingen te zeggen. Vooreerst moesten we maar eens stoppen met die kleine interne ruzies en moesten we de grote zaken aanpakken. En ten tweede moesten we dat dan maar samen gaan doen. Voilà, dat was het. Ik had hier lang op gewacht. Vanaf die dag waren José en ik dan ook onafscheidelijk. We leken wel wat op mekaar, praatten allebei graag, dronken graag een pintje, ... We hadden trouwens alle twee een baard. De mannen noemden ons dan ook rap ‘De twee baarden’. Van toen af werd er harder, efficiënter en fundamenteler gewerkt op de vergaderingen. Naast de vele kleine en grote problemen op de werf, konden nu ook de principiële kwesties op tafel komen. En dat was een hele belangrijke stap vooruit.

Het was trouwens de periode waarin de linkse tendensen steeds sterker naar boven kwamen. De drempelvrees tegenover Amada bijvoorbeeld, die was wat weggevallen. We stonden sterk genoeg in onze schoenen om te discussiëren met hen, onze opvattingen en ideeën uit te wisselen. Zij waren trouwens niet langer de ‘beleerders’ voor ons, ze kwamen heel veel dingen leren bij ons en wij bij hen. Maar de vakbondsleiding, met onze handtekening onder het memorandum onder de arm, stonden op loer. Om te kunnen zeggen: ‘Jij hebt dat ondertekend, dus moet je je d’r ook aan houden’. Zo was er op een bepaald ogenblik een betoging in Brussel. Het ABVV deed mee, het ACV niet want het was weer eens een ‘politieke betoging’. Ik ging daar niet mee akkoord. En samen met nog één andere ACV-délégué ben ik die bus opgestapt en mee gaan betogen. Ik had een bordje ‘ACV solidair!’. De mensen van de BRT [nu VRT — MIA]waren aan het filmen, zien daar dat ene bordje en springen daar natuurlijk op. ’s Avonds kwam ik dus met dat bordje in alle huiskamers. En natuurlijk ook in die van de ACV-leiders. Ik kreeg een ‘serieuze blaam’ vanuit het beroepsverbond. Als het nog eens gebeurde, lag ik er onherroepelijk uit. Van toen af aan is de heksenjacht pas echt begonnen. Ze probeerden ons bang te maken. Bang voor de ‘andersdenkenden’ en vooral bang voor Amada. Ze probeerden zo ver te krijgen dat we een straatje om zouden lopen als we iemand van Amada in de verte zagen komen. Ik heb daar nooit aan toegegeven. De echte confrontatie ging trouwens niet tussen ACV en Amada. De échte confrontatie was die tussen twee opvattingen over vakbondswerk. Zij die van de vakbond een strijdorganisatie wilden maken om met de arbeiders, democratisch, te vechten voor een andere maatschappij. En zij die bogen voor het patronaat, die het kapitalisme niet veroordeelden, die heilig geloven in het overlegsyndicalisme.

De stapelloop die er niet kwam - Boven

Het was een drukke periode op de werf. Veel bestellingen, dus veel boten en dus ook veel stapellopen. Een stapelloop was een heel belangrijke gebeurtenis op de werf. Dan kwam de meter een fles champagne tegen de kiel kapot slaan. En ... organiseerde Saverijs een groots feest voor alle genodigden. Want bij zo’n stapelloop komt er ook veel geld binnen. Een schip werd altijd in drie schijven betaald. Eén derde bij de kiellegging, één derde bij stapelloop en één derde bij levering. Een stapelloop betekende ook nog iets anders, voor de arbeiders althans. Omdat het schip ’s middags moest stapellopen, moesten de arbeiders om 13 bijvoorbeeld van dat schip af. Dat betekende dat ze geen volledige acht uren gewerkt hadden. Om dat te verhelpen had de directie weer zo’n prachtige oplossing gevonden. De arbeiders moesten om 5 u ’s ochtends opkomen in plaats van het gebruikelijke half 8. Dat zagen ze nu niet meer zitten. Door al die boten, waren ze al verscheidene keren om 5 uur op de werf moeten zijn. Dat gaf voor veel mensen problemen met het vervoer. Maar vooral stelden ze principieel: een dag begonnen is een volle dag gewerkt. Desnoods moet hij ons voor die resterende uren maar ander werk geven. En bovendien: hij heeft wel honderdduizenden franken over voor zijn genodigden. Terwijl wij toch het schip gemaakt hebben. Tot vervelens toe bespraken we dat met de directie maar die wou van geen wijken weten. ‘Heirkracht’ en ‘Wij bepalen eb en vloed niet’ en zo voort. Want het schip moest op een bepaald ogenblik het water in, dat kon je geen half uur uitstellen. Net als het water tussen eb en vloed eventjes stil stond, moest het schip erin. Nu zou de stapelloop van de Maaskant plaats vinden en de arbeiders hadden de vorige keer al gezegd: ‘Nu is het de laatste keer, de volgende keer komen we om half 8 en geen minuut vroeger’. Dit gebeurde dan ook. We konden werken tot 13 uur. De arbeiders stoppen dus en roepen ons er bij. Met zo’n 300 man trokken we naar de personeelsdirecteur. De hele groep begon met hem te discussiëren. Die man in paniek natuurlijk. ‘Ik heb er ook al over gepraat met de directie maar die wil van geen wijken weten’. Met de syndicale delegatie hadden we die ochtend al vergaderd. We hadden daar besproken dat we die paar uur zouden afdwingen als de directie niet wou toegeven. Er werden verscheidene voorstellen gedaan en uiteindelijk was beslist: ‘Als hij niet wil betalen, gaat dat schip niet te water’. Nu moet je weten dat een stapelloop blokkeren een heel moeilijke zaak is. Technisch is een stapelloop een heel ingewikkeld gebeuren. Er komen verschillende beroepsgroepen bij te kijken. En we moesten dus de solidariteit van al die verschillende groepen krijgen. Bij de ateliers lukte dat niet zo goed. Bij de arbeiders die vaak op de schepen werkte ging het al beter. Maar dan kwamen we aan de schippers. Zij moeten het schip manoeuvreren tijdens die stapelloop. En dan de sledeplaatsers. Dat zijn de mannen die de slede plaatsen waarop een schip in het water moet glijden. Maar ... zij moesten ook de blokken weg slaan die het schip tegen hielden. Het begon te regenen, zo’n echte koude druilregen en er stond een barse wind. De schippers beloofden ons de ‘lier’ niet te bedienen. Dat is het mechanisme waarmee het schip uiteindelijk in het water gelaten wordt. De solidariteit van de schippers had ik niet zo spontaan verwacht. Maar ook zij hadden een heel vervelende regeling. Ze konden om het even wanneer opgeroepen worden, zelfs als ze nog maar twee uur thuis waren of zo. Hun ontevredenheid speelde natuurlijk mee. Uiteindelijk beslisten we dat we de lier zouden bezetten. Dat maakte de directie al ongeruster. Ze hadden nooit verwacht dat de schippers, een toch wat afgezonderde groep op de werf, ons zouden steunen. Om halfdrie komt Saverijs, in zijn beste kostuum al, op ons afgestevend. Wij stonden daar ondertussen al met zo’n 400 mensen in een groep bijeen. ‘Wij hadden het recht niet...’ ‘We moesten de lier onmiddellijk vrij geven... Toen hij zag dat hij weinig indruk maakte op de groep verregende mannen, het water stond in onze schoenen, probeerde hij een aantal jonge militanten aan te pakken. Maar ik zette me rustig tussen hem en die jonge gasten. ‘Je moet onderhandelen met de hoofddélégués. Wij stellen dit probleem al jaren. Er is nog altijd een oplossing mogelijk. Het schip mag te water als er een serieuze oplossing voor het probleem komt.’ Saverijs werd nijdig. ‘Hier valt niet te onderhandelen.’ En de vier heren stappen in hun wagens en rijden weer weg naar de burelen. Daar zal een harde discussie gevoerd zijn.

Het was halfdrie en om drie uur zouden de eerste genodigden toekomen. De discussie in de burelen ging verder. Het ging hem om zo een twee à driehonderdduizend frank die hij extra aan zijn arbeiders moest geven. Als je dat vergelijkt met de miljoenen die hij spendeerde aan zijn deftige gasten... Iets voor vier uur komen de vier heren terug. Saverijs kwam voor me staan. ‘Maak die lier vrij.’ ‘Niet voor onze eis ingewilligd is.’ Daarop sprak Saverijs de historische woorden: ‘Cap, jij komt nooit meer naar boven en bovendien ... je bent ontslagen!’

Ik antwoordde heel kalm: ‘Meneer Saverijs, daar beslis jij niet over. Daar zullen de arbeiders over beslissen.’ Dat was recht naar het hart van die 400 druipende mannen. Groot gejuich. Saverijs buiten zichzelf van colère. ‘En bovendien, jullie zijn allemaal ontslagen!’

Nog groter awoert-geroep, gefluit en gelach. Het was een gevecht tussen David en Goliath. Goliath, twee keer zo groot en zo breed als ik, hij in zijn proper kostuum, en wij als verregende vogels, ...

Op dat ogenblik moet de directie beseft hebben dat ze verloren hadden. Dat die stapelloop niet meer door zou gaan. Het goede moment was trouwens al voorbij. Hij moet dus naar zijn gasten om te zeggen dat er geen stapelloop was, dat er geen feest zou zijn, dat de meter haar champagne niet kapot mocht slaan en dat ze geen cadeau zou krijgen. Hoe hij het voor mekaar gekregen heeft, weet ik niet. Wij, kletsnat, stralend en gelukkig. Ik ben een goede slaper maar die nacht heb ik er toch niet veel van terecht gebracht. Ik denk dat het de eerste en de laatste nacht van mijn leven geweest is, dat ik van Saverijs gedroomd heb. Nelen schrijft in zijn boekje dat er nog naar een belangrijk vakbondsleider gebeld werd, volgens mij Jef Houthuys, en dat er koortsachtige onderhandelingen geweest zijn tussen de directie van Boel en de vakbond. Eén ding was zeker, deze keer was ik zogezegd te ver gegaan. Ik moest buiten. Terwijl ik alleen maar de opdracht van de syndicale delegatie en van de arbeiders uitgevoerd had. ’s Anderendaags rijd ik op mijn normale uur naar de werf. En overal langs de weg naar Temse staan combi’s van de rijkswacht. Waarschijnlijk hebben ze gedacht dat we het schip zouden blijven tegenhouden. Maar dat was allerminst onze bedoeling. Het ging ons alleen om die dag. Alleen een uitstel van 12 uur, tot het volgende tij. Door die actie is er uiteindelijk toch nog een oplossing gekomen voor het probleem. En ze hebben me toen niet ontslagen.

7. Werken op een werf of in een concentratiekamp? - Boven

In dezelfde periode kreeg de werf een vreemde opdracht. We zouden nu ook oorlogsschepen maken. Fregatten voor de zeemacht. Wat we helemaal niet voorzien hadden was, dat zo’n schip extra beveiligd moest worden. Niet tegen bommenleggers of terroristen maar blijkbaar tegen de arbeiders van de werf zelf. Iedereen moest een ‘gesprekje’ voeren met een ambtenaar en daaruit leidde die dan af of je wel betrouwbaar was. Daarbij werd je gevraagd naar je politieke ideeën, je verleden, je betrouwbaarheid en nog zo van die zaken. Als je dan goedgekeurd werd, kreeg je een speciaal pasje. De arbeiders vonden die gesprekken veel te persoonlijk en bovendien, we hadden op de werf nog nooit een pasje gedragen en ze hadden dus niet veel zin om het nu wél te doen. Maar de directie schermde met de staatsveiligheid. Die legden dat systeem op. Dus, iedereen op dat schip met een pasje. Om op dat oorlogsschip te komen, moest je dus eerst dat pasje tonen. Zie je het al gebeuren? Je komt met een zware buis of een stuk hout naar dat schip toe; je kunt er maar via één weg op want rond dat schip was een hekken gezet. En bij die doorgang stond dan iemand. Buis neerleggen, pasje zoeken, pasje tonen, pasje weer weg stoppen, buis oppakken en uiteindelijk dan toch dat schip op. Als je zo’n 20 buizen op moest dragen, dan werkt dat natuurlijk op je zenuwen. De directie creëerde een sfeer van: ‘Het komt niet van ons, het werd ons ook opgelegd, ...’ maar ondertussen werden er al nieuwe stappen gepland. We zouden per groep een andere overall krijgen. Per plaats waar er gewerkt werd, kwam er een andere kleur van stof. Zo zouden ze onmiddellijk kunnen zien of er iemand op een plaats rond loopt waar hij niet hoort. En op een dag verschijnt er op dat schip een bewaker van Intergarde, in uniform. Hij moet nu de pasjes controleren en het doen en laten van iedereen nagaan. Iedereen was enorm verontwaardigd. Het hing in de lucht dat het de bedoeling was op termijn ons eigen bewakingspersoneel te vervangen door Intergardisten. We trokken naar de directie. En nog maar eens werden de oude drogredenen boven gehaald: ‘Het ging tenslotte maar om één man, het moest van de staatsveiligheid, ze hadden een gespecialiseerde firma aangetrokken die door de staatsveiligheid zelf goedgekeurd was, enz.’

Wij waren ook niet stil blijven zitten en hadden uitgezocht wat Intergarde nu precies was, en wat ze zo al op hun actief staan hadden. We kwamen heel wat te weten via artikels uit kranten en tijdschriften. Intergarde trad op als een soort privémilitie in dienst van de patroon bij stakingen, tegen piketten, en zo meer. In stakingen traden ze op als provocateurs, ze controleerden alles en iedereen en gingen arbeiders dan aangeven bij de rijkswacht. Die informatie gaven we door aan de arbeiders. Er waren duidelijk twee strekkingen op de werf. De ene groep geloofde de directie. De andere groep moest duidelijk niets weten van die Intergardist. Voor hen vertegenwoordigde die man het hele systeem van controle, en bewaking. Hij symboliseerde de beknotting van onze vrijheid op de werf. Ze vonden dat ze al genoeg gecontroleerd werden op de werf door brigadiers, meestergasten, chefs, portiers, enz. Heel de structuur van de werf was al afgesteld op een militaristische manier van controle. En onze brigadiers en meestergasten waren ook al niet gelukkig met onze Intergardist. Die man was altijd maar aan het noteren, aan het schrijven in een klein boekje. Wat had die toch allemaal door te geven? Komt daar nog bij dat heel veel oudere arbeiders de oorlog meegemaakt hadden. Intergarde, die uniformen, het deed hen direct terugdenken aan die oorlogsjaren. We vergaderden dus een aantal keer in de refter. We legden uit aan de arbeiders wat Intergarde nu precies was. ‘Jullie kennen allemaal Interbeton. Wat doet die firma? Die leveren beton aan de bedrijven. Wat doet Intergarde? Die levert gardes, controleurs aan de patroons. En wat doen die gardes?’ En dan vertelden we over de ervaringen die ze in Frankrijk opgedaan hadden met Intergarde. Over de controles, de intimidaties, ...

Het standpunt van de syndicale delegatie was: die man moet hier buiten. En als er controle moest zijn, dan gebeurde dat wel door onze eigen mensen. Portiers en wakers waren vaak mensen die door ziekte of een ongeval niet langer in het productieproces konden werken en dus dergelijke jobs kregen op de werf. Zij hadden recht op dat werk. Er werd besloten een ‘alternatieve werkonderbreking’ te houden. Elke dag tussen 10 en 11 uur zou er gestaakt worden. Dan zouden we allemaal samenkomen, de zaken bespreken, vragen beantwoorden, enz. Vervolgens zouden we naar het directiegebouw trekken. Om te manifesteren tegen die Intergardist. We zouden zingen, spandoeken maken, slogans roepen, ... We hadden twee centrale eisen: Intergarde buiten en de pasjes terug weg. Het voorstel van de gekleurde overalls was toen al terug ingetrokken dank zij de groeiende opstandigheid van de mannen. Onze eerste bijeenkomst greep plaats op het midden van de werf. We hadden een primitieve geluidsinstallatie op een karretje gezet en daar werd dan een speech gegeven. Als de directie niet in zou binden, zouden we meer uren per dag staken. De acties sloegen enorm aan. Veel arbeiders kwamen naar voor, grepen de micro. Ze zongen liedjes voor, riepen slogans, voerden straattoneeltjes op over controle en fascisering, over rijkswacht en Intergarde. En vooral over het feit dat ze vrij over de werf wilden lopen en werken. Wat het meest hartverwarmend was in die actie, was de verantwoordelijkheid die de arbeiders opnamen. Het was niet zo maar een actie die door de vakbond gevoerd werd en waar zij wel achter stonden. Het was echt een heel persoonlijke betrokkenheid. Vandaar ook die uitbarsting van het creatieve. Niemand wou achter blijven, iedereen wou iets vertellen, iedereen wou iets doen, ... De eerste dag al trokken we naar het directiegebouw. Zingend en scanderend: ‘Intergarde tegen de muur, paskes in ’t vuur!’. Zo voerden we alle dagen actie. Na enkele dagen was de actie een vast gegeven in Temse. Alle dagen stonden er mensen aan de poort die ons kwamen steunen. We waren er met de syndicale delegatie zelf over verbaasd hoe diep het probleem blijkbaar zat bij de mensen, over de vindingrijkheid van de mensen ook.

Vuile Mong heeft een liedje en dat begint zo: ‘Hebben jullie dat ook, als ge ’s ochtends wakker wordt, ...’ Bij mij was het veeleer: ‘Hebben jullie dat ook, als ge ’s avonds wakker wordt, ...’ Als ik ’s avonds in mijn zetel zat, en ik overdacht de dag en de gevoelens en de gebeurtenissen, dan kwam er soms eens een liedje in mijn kop opborrelen. Zo is het lijflied van Boel geboren.

Weg met de machten die verknechten
de arbeiders eisen hun rechten
Wij zijn voor de bevrijding van de mens
d’arbeidersklasse zal er voor vechten
De vrijheid is ons hoogste goed
Daarin willen we leven
De macht die deze wet verkracht
die krijgt ons allen tegen

Dat nieuwe lied, op de melodie van ‘Wij zijn gezworen kameraden’, sloeg enorm aan. Het was toepasselijk op het fascisme dat we zagen, die uniformen van Intergarde. En op de directie die ons er onder wou houden. En daar tegenover plaatsten wij de vrijheidsdrang. De wil om vrij te zijn, niet van één persoon, van één mens maar van een hele klasse. Dat is de échte vrijheid.

Ondertussen werkten we wel verder aan het fregat voor de zeemacht. In het weekend werd het verhaald, het werd naar de andere kant van de werf gesleept. Maar door die verhaling was de onveiligheid op dat schip enorm groot geworden. De gangway was onveilig, de aansluitingen waren niet goed, het hele schip lag overhoop. De mensen van het schip wilden op een bepaald ogenblik niet verder werken. En ze riepen de syndicale delegatie erbij. Wij daar dus naar toe. Maar ... we mochten niet op het schip van de Intergardist, want we hadden geen speciaal pasje. Dat was werkelijk echt belachelijk. Die man staat daar dagen en weken voor de veiligheid van dat schip te zorgen. Maar nog nooit was een schip zo onveilig geweest voor de arbeiders die er moesten werken. Ze moesten wel hun pasje laten zien. En daarna mochten ze verongelukken. We stelden heel duidelijk: als wij er niet op mogen, dan komen de arbeiders er maar af. De mannen kwamen van het schip en we vergaderden ter plaatse over de onveiligheid. Ze eisten: ‘We gaan er niet terug op voor de nodige veiligheidsmaatregelen genomen zijn.’ Tegen tien uur trokken we met de hele groep naar de dagelijkse bijeenkomst om 10 u. Daar deden ze hun hele verhaal. Het gaf een nieuw élan aan de algemene vergadering en het versterkte nog de vastbeslotenheid van de mannen. We hadden ondertussen beslist dat we, als er geen oplossing kwam, onze acties uit zouden breiden naar meer uren werkonderbreking per dag.

2.000 Boelarbeiders begraven het fascisme - Boven

Eén van die dagen heb ik een van de mooiste taferelen uit mijn leven gezien. De arbeiders zouden het fascisme begraven. Ik zie ze daar nog altijd buiten komen uit het atelier, met een doodskist. En daarop een arbeider, in Rijkswachtuniform, die Intergarde en het fascisme voorstelde. Er werd een begrafenisoptocht georganiseerd naar de burelen. Met alles erop en eraan: de ingetogenheid, de plechtigheid. Ludiek maar doodserieus en vastberaden. Eenmaal aan de burelen kwamen dan weer de slogans en liedjes boven.

We waren wel altijd in contact gebleven met de bedienden. En net toen die op het punt stonden zich aan te sluiten bij onze actie, werden we bij Saverijs geroepen. Hij was heel kort en nijdig. De Intergardist ging weg, de pasjes hoefden niet meer.

We hadden een volledige inwilliging van ons eisenprogramma gekregen. De dozen met al de pasjes van die mensen heb ik op de werf nog een hele tijd laten staan. Ze deden me altijd denken aan nog een andere gebeurtenis.

Een bijbels verhaal - Boven

De directie verweet altijd dat we hen wantrouwden, dat we achter al hun goede bedoelingen iets kwaadaardigs zochten. In diezelfde periode nam ze het besluit om naast de pasjes voor diegene die op het fregat werkten, nu ook elke arbeider een pasje te laten dragen. Er was een nieuw restaurant, Den Esch gebouwd. Dat restaurant was er gekomen, mede met subsidies van een of ander ministerie. En omdat ze van dat ministerie zogezegd geen eten mochten geven aan mensen die niet op de werf werkten, moest iedereen kunnen bewijzen dat hij daar werkte, voor hij eten op zijn bord kreeg. Vandaar die pasjes. Op een bepaalde vergadering in Den Esch deelden we mee aan de arbeiders dat ze geen eten meer kregen, zonder het pasje. Een storm van protest natuurlijk. Er bleven op dat ogenblik zo’n 600 mensen van de 2000 warm eten ’s middags. Op een bepaald ogenblik springt er iemand op het podium, grijpt de micro en zegt: ‘We moeten zijn eten al niet meer hebben’. Toen kwamen we op het idee: we laten hem zitten met zijn 600 maaltijden. Dat was het eensgezinde besluit van die 600. En die daad riep een daad van solidariteit op van de anderen. We riepen op: ‘Iedereen die zijn boterhammen meebrengt van thuis, haalt zijn schoofzak boven. We laten grote dienborden rondgaan en iedereen geeft af wat hij mee heeft. En dan herverdelen we alles zodat die 600 ook iets te eten hebben.’ Het zicht alleen al was de moeite waard. Eerst gaf iedereen zijn boterhammen af, zijn sinaasappel, zijn twee appeltjes, zijn stuk chocolade, ... Wat meteen opviel, was dat iedereen echt ook alles afgaf. Niemand die zei, mijn chocolade wil ik toch zelf houden, of die appel, die is toch van mij. Alles werd afgegeven en opnieuw verdeeld.

En geloof het of niet, maar toen iedereen gegeten had en genoeg gegeten had, toen bleef er nog over. Net als in de Bijbel.

8. Recht op staken en recht op arbeid - Boven

Maar ’77 bracht de crisis met zich mee. Niet alleen op de werf. Het hele maatschappelijke gebeuren beroerde ons erg. We hechtten bijvoorbeeld heel veel belang aan de index. We hadden wel wat kritiek op het systeem. Maar we vonden het toch al een zekere bescherming van ons loon. Maar de regering greep in. Het begon met ‘de fruitkorf’. De producten die erg duur waren werden om te beginnen al uit de index getrokken. Later zouden ze hem helemaal blokkeren. Een tweede punt waar ontevredenheid over bestond was de blokkering van de lonen. Het was al van april ’75 geleden dat we nog opslag gekregen hadden. Het was crisis, de patroons moesten geholpen worden. En het was precies of de arbeiders te veel verdienden. Ze moesten van hun karige loon dan nog inleveren om hun baas bij te springen. Op Boel werd dat laatste punt wel heel duidelijk gesteld. Er werden namelijk enorme winsten gemaakt in de sector. Zo kwamen we op een bepaald moment te weten dat er dertig miljoen verdeeld werd onder de hogere kaders. Dat sloeg werkelijk in als een bom. Die winsten kwamen van de schepen. En die schepen waren door onze arbeid, onze handen tot stand gekomen. We stelden: het is twee jaar geleden dat ons loon nog omhoog ging, er is overal crisis, ze nemen onze index af en dan kan er nog 30 miljoen verdeeld worden. We stelden dus, met de drie vakbonden samen, een heel eisenprogramma op. Een premie van 10.000 fr., een loonsverhoging van 15 fr., inkomenszekerheid bij werkloosheid, afschaffing van de carenzdag, en betaald verlof tussen kerstdag en Nieuwjaar. Die premie van 10.000 fr. per arbeider was gebaseerd op zijn 30 miljoen. En dat verlof tussen kerstdag en Nieuwjaar wilden we alleen omdat de idee van de 36-urenweek toen al in ons hoofd zat. We zijn dat programma gaan bespreken met de bedienden én met de mensen van Cockerill Yards. Die onderschreven onze eisen en later hebben ze zich ook bij onze actie aangesloten. De bedienden hadden weliswaar iets andere problemen dan wij. Zij stelden een looneis van 8,5 fr. We zagen dat wel zitten en hoopten dat ze ook samen met ons in actie zouden gaan. Dus, wij weer naar de directie om te onderhandelen. We hebben hen de kans gegeven om ons eisenprogramma te kennen en te begrijpen maar we stootten steeds maar op een muur. We hebben onderhandeld en onderhandeld tot we geen andere weg zagen, dan er tegenaan te gaan. We zouden ons programma dus kracht bijzetten door een staking. De directie had ondertussen al geprobeerd de bedienden los te weken van ons door een voorstel te doen maar dat werd door een grote meerderheid van hun mensen verworpen.

En in februari ’77 was het zo ver: Boel ging in staking. We hebben lang gediscussieerd over de vorm van de actie. Er waren twee problemen: ten eerste het financiële verlies dat de arbeiders hoe dan ook lijden bij een staking. Hoe zouden we dat zo draagbaar mogelijk maken, wetende dat we misschien voor een zeer lange actie stonden. En ten tweede: is een gewone staking in dit geval wel efficiënt genoeg? Het eerste probleem, de financiële kant van de staking, was ons voornamelijk ingegeven door de ervaring met de schokstakingen rond Intergarde. Al die afzonderlijke uren werden natuurlijk van ons loon afgetrokken. Maar anderzijds kon de vakbond statutair geen stakingsuren uitbetalen. Alleen volledige stakingsdagen. We hebben toen nog geprobeerd al die uren op te tellen en er dagen van te maken maar na een schriftelijk verzoek, ondertekend door alle délégués bleek dat niet mogelijk te zijn. Voor ons had het niets te maken met het argument dat je wel eens hoort in vakbondsmiddens: ‘De arbeiders willen niet meer staken, ze kunnen het niet meer opbrengen, ze zijn te verwend.’

De arbeiders hebben het niet ‘te goed’. Alleen de patroons hebben het geld altijd maar te scheppen gehad. Voor de arbeider is er nu eenmaal de fundamentele realiteit dat hij zijn arbeid moet verkopen aan de patroon, en dat de vruchten van zijn werk hem ontstolen worden. En dan het argument dat staken uit de tijd is, dat er naar ‘alternatieven’ gezocht moet worden. Een staking is het enige wapen dat een arbeider heeft tegen zijn patroon. Weigeren zijn arbeid te verkopen. Alleen dat kan de patroon treffen. Want als zijn arbeiders niet meer werken, wordt er niet meer geproduceerd en kan hij dus geen winsten maken. Toen wij zochten naar alternatieven was het de bedoeling de staking harder en efficiënter te maken.

Saverijs in staking tegen de arbeiders: de lock-out van ’77 - Boven

Vanuit die twee bekommernissen, zo weinig mogelijk financieel verlies en zo hard mogelijk de patroon treffen deze keer, kwamen we op de volgende actievorm. Elke ochtend om halfacht zouden we samen komen op de werf. En op die vergadering wordt dan beslist welke groep die dag zou staken. Per dag zou zo een vierde tot een derde van de arbeiders staken. De ene dag de monteerders, de andere dag de voerders. Als je een aantal belangrijke branches uit het productieproces neemt, ja, dan stuikt de hele keten in mekaar. We kregen een volledige ontreddering van het productieproces en dat was onze bedoeling. De kraanmannen waren er bijvoorbeeld wel maar de aanpikkers niet. Een andere dag waren de voerders er wel maar kon er niets aangebracht worden. Of de lassers waren er maar monteerders bleven buiten. Op die manier kon op de duur niemand nog iets doen. De vergadering ging elke dag door in een grote hall, blok 3. We hadden er een geluidsinstallatie in mekaar gezet. En elke dag waren mensen verplicht naar de vergadering te komen want ze wisten niet of ze moesten werken of niet. ‘Zijn wij er bij vandaag?’ Elke dag een grote spanning op die gezichten. Af en toe verrasten we de mannen door op het bord te schrijven: ‘Jan en alleman’. Dan bleven we allemaal buiten. Via die geluidsinstallatie draaiden we ook bandjes met strijdliederen. En één van die liedjes, wellicht het meest populaire was ‘Venceremos’. Ik heb nooit een staking meegemaakt waarin alles zo eensgezind gebeurde. Vooreerst was er die voorbeeldige samenwerking tussen drie vakbonden. En dan de goede inzet van de militanten zelf. Voor de directie werd het natuurlijk een onhoudbare zaak. Ze dreigde ermee het bedrijf te sluiten. Ze zou een lock-out uitroepen. Toen de bedienden dat hoorden, werden ze bang. Ze haakten tenslotte af en gingen de directie zelf vragen of het ontwerpakkoord dat hun leden indertijd verworpen hadden, of dat nog altijd geldig was. Ze hadden ondertussen nog geen actie gevoerd. Natuurlijk ging de patroon akkoord. Het waren plots zeer verwarrende dagen op Boel. In die periode hebben we een grote fout gemaakt. Er was een grote eenheid onder de mannen rond die 15 fr. Op een bepaald ogenblik echter hebben wij die eis verlaagd tot 8,5 fr. Daar speelden verschillende redeneringen in mee. We wilden zeker tot een eenheid komen met de bedienden. En daarnaast speelde de idee mee dat onze eis toch te radicaal was en dat we een zekere toegeeflijkheid moesten tonen tegenover de patroon. De eenheid met de bedienden is daardoor zeker niet gegroeid. En met toegeeflijkheid ten opzichte van de patroon bereik je nu eenmaal niets.

Toen de patroon met lock-out dreigde, begonnen de vakbondssecretarissen van Hoboken zwaar te twijfelen. ‘Ze zouden de schande van een lock-out toch niet over zich laten komen’ en riepen de staking uit. Ze hadden ondertussen een metaalakkoord voor de regio Antwerpen afgesloten. En dat speelde op dat ogenblik mee bij hen. Ze zagen daar een mogelijkheid in om uit het conflict te raken. Ze hebben dan ook de eisen van de arbeiders van Cockerill laten vallen en hebben met alle mogelijke argumenten het Antwerpse akkoord verdedigd. Daar werd uiteindelijk over gestemd. 51 % was voor en de staking was afgelopen. Op Boel redeneerden we anders. We hadden onze eisen gesteld en daar bleven we bij. Desnoods vochten we dan maar tegen de lock-out. Die lock-out kwam wel heel hard aan bij de arbeiders. Dat was iets totaal nieuws voor ons. Nog maar weinig mensen in België hadden dat meegemaakt. We hadden wel gelezen dat het in de textiel al eens gebeurd was, in de jaren ’20. En in andere landen viel het ook al eens voor. Ook juridisch was het een zeer ingewikkeld gegeven. Wat we wel goed snapten, was dat de patroon zijn poorten sloot en ons contract schorste. Hij zou zelf beslissen wanneer we weer binnen mochten. De arbeiders zaten met enorm veel vragen. En voor ons, délégués, was het de opdracht een antwoord te geven op deze nieuwe uitdaging, op dit nieuwe gegeven waar we geen ervaring mee hadden. Toen is, op de melodie van ‘Venceremos’ een lied geboren:

Kameraden, wat is er aan ’t gebeuren?
De patroons zetten ons op straat
Ze verbreken het recht om te staken
een lock-out is een smerige daad
Kameraden, steun op de eenheid
op de strijd van ons allemaal
’t gaat om onze syndicale rechten
of verknechten van ons allemaal
Recht op arbeid, recht op arbeid
is de strijd die vandaag wordt gevoerd
arbeidsklasse, arbeidsklasse
aan de lock-out geven wij nooit toe.

Het ging nu om meerdere dingen. Naast ons eisenprogramma, staakten we nu ook voor ons recht op staken en ons recht op arbeid. Dat is een fundamenteel arbeiders- en mensenrechtenprogramma dat niemand ons af kon nemen. Maar tijdens die lock-out hebben we geen enkele rijkswachter gezien. We wilden allemaal gaan werken. De patroon staakte tegen ons, hij sloot ons uit. De rijkswacht die er anders altijd bij was als er één rat binnen wou, die hebben we nooit zien optreden tegen de patroon. En die zette 2.500 mensen op straat. Nu zagen we die machten niet. De lock-out deed ons op het standpunt komen: als wij niet binnen mogen, zal hier niemand binnen komen. Dus, de bedienden, waartegen geen lock-out was, kwamen er niet meer in. In de omgeving van Temse en Sint Niklaas en de omliggende dorpen heeft hij zowat alle mogelijke en onmogelijke zaaltjes afgehuurd. Hij liet zijn bedienden daar werken. Ze plaatsten de tekenplanken daar en zo goed en zo kwaad als het ging werden ze daar aan het werk gezet.

En op een bepaald ogenblik is er dan toch nog een verzoeningsvergadering gekomen. Op ons eisenprogramma kregen we slechts een heel gedeeltelijke voldoening. Het akkoord werd met 53 % goedgekeurd op een algemene vergadering. Er kwam een loonsopslag van amper 4 fr., de kas voor bestaanszekerheid werd gespijsd, er werd een premie van 5.000 fr. gegeven. Daar is ook de ‘zwijgfrank’ uitgekomen. Officieel heette die de ‘verzoeningsfrank’. Dat kwam hier op neer: als we een heel jaar rustig bleven dan kregen we op het einde van het jaar een frank per uur meer. Die werd dan voor het hele jaar uitbetaald, samen met de eindejaarspremie. Om ons er onder te houden. Maar als het werkelijk te bar werd, als ze er weer eens zo genoeg van hadden, dat ze dan roepen naar Saverijs: ‘Ge kunt hem houden, uwe frank. We hebben hem niet nodig! Ge gaat onze tong niet uittrekken voor een smerige frank!’

Die lock-out heeft ons veel geleerd. Het was het hardste middel dat een patroon tegen zijn arbeiders kan gebruiken. Voor ons was het een broodroof en een testcase voor heel België. Het was een aanval tegen alle arbeiders, tegen elke arbeider als mens, als klasse en als syndicale macht. Die syndicale macht stond Saverijs in de weg en dat was de krachtproef. Van bij de Maaskant, Intergarde en nu de lock-out wisten we al zeker dat hij de vakbond buiten wou. Dat opstandige, revolutionaire en eensgezinde syndicalisme moest hij kwijt. Dat wisten we toen.

9. Het conclaaf van de kaders: Corsendonck - Boven

Terwijl de lock-out nog volop aan de gang was, heeft de directie zich met hogere kaders teruggetrokken op Corsendonck. Onderwerp van de besprekingen: het personeelsbeleid op Boel. Nelen schreef er over:

‘De diagnose wees op een tekort aan informatie, een te zeer gecentraliseerd personeelsbeleid, een te sterke positie van de afgevaardigden, een te grote afstand tussen de top en de basis, een verschil in aanpak van de mensen in de ene afdeling in vergelijking met de andere, enz.’

Uiteindelijk kwam het hier op neer: de afstand tussen de chefs en de meestergasten enerzijds en de arbeiders anderzijds moest overbrugd worden. En de délégués - die niet pasten in het harmoniemodel zoals ze later zouden zeggen - moesten er uit of minstens aan banden gelegd worden. Want ze stonden de ‘nieuwe aanpak’ in de weg. Ze lanceerden de slogan ‘de chef is je beste vriend’. Het personeelsbeleid werd ‘gedecentraliseerd’, de taken werden opgesplitst. Om dat allemaal efficiënt te kunnen doen gingen ze die wijsheid opkopen. Psychologen, sociologen, advocaten, juristen, alles kwam er bij te pas. Die man heeft waarschijnlijk miljoenen uitgegeven om zijn nieuw beleid uit te dokteren. Opzet van de hele operatie was: uitzoeken hoe ze patronaal frontaal in de aanval konden gaan tegen de délégués en militanten, om die los te kunnen scheuren van de arbeiders. Er werden seminaries ingericht, er waren ‘zone-vergaderingen’, er kwam een nieuw bladje van de patroon, De zaat, er werden personeelscoördinatoren aangesteld en nog veel meer. Die coördinatoren hadden een welomschreven taak: ze moesten in feite de rol van de délégués overnemen. Elke arbeider die een probleem had, moest bij die man terechtkunnen die hem dan verder zou helpen. Op die manier zouden wij overbodig geworden zijn.

We bekeken die beweging achter de schermen achterdochtig en probeerden zo goed mogelijk te volgen wat er aan de hand was. Na de lock-out al, toen iedereen pas weer aan het werk was, werd het ons al vlug duidelijk. Een eerste punt was het strenger worden van de ‘beoordelingen’ zoals ze dat noemden. Vroeger was er ook al een puntensysteem geweest. Elke arbeider werd beoordeeld op productie, kwaliteit en beroepskennis. Kreeg die arbeider voldoende punten, dan kon hij in een hogere categorie komen. Tot dan toe had dat systeem redelijk gewerkt. Maar de specialisten van de personeelsdienst splitsten de drie hoofdpunten nog eens op in vragen als: is hij niet opstandig, kan hij goed in groep werken, neemt hij initiatief, ... Op al die verschillende vragen kregen we nu punten. Wij noemden dat ‘schoolke spelen’. Het zou nog zo ver komen dat we elke week met ons rapport naar huis moesten om het te laten tekenen door onze kinderen. ‘Onze pa heeft goed gewerkt van de week. Flink zo, doe zo voort’. Naast ons rapport kregen we later ook nog de ‘functioneringsgesprekken’ op ons dak. Nu zouden ze ons eens motiveren. Elke arbeider moest bij zijn chef of meestergast komen, er werd gepraat over het werk en er werden weer eens punten gegeven. Welke onnozele dingen daar allemaal verteld werden, dat hou je voor onmogelijk. Mannen die al 20 of 25 jaar werkten op de werf, die liepen gewoon weg van die gesprekken. Ze hadden zichzelf nu toch al bewezen en ze werden daar echt behandeld als schooljongens. Zo was er eens een arbeider bij zijn meestergast geweest voor een functioneringsgesprek en die man had gezegd: ‘In feite zou ik je een zes moeten geven op productiviteit, maar er is één punt dat je nog moet veranderen: je rookt te traag.’ Een zes was het maximum en die man kon zijn punten niet krijgen omdat hij te traag rookte! Dat kwam door het feit dat hij tabak rolde. En een sigaret rollen, dat is een soort ritueel, dat duurt langer dan wanneer je gewoon een sigaret uit een pakje moet halen. Mensen van 50 jaar moesten dat aanhoren uit de mond van een meestergast van 25. Er waren de jaren voordien heel weinig jonge mensen bijgekomen die nog categorieverhoging moesten krijgen.

Die verhoging was wél belangrijk voor de arbeiders. Daar herkende ik weer die drang naar gelijkheid in. Iemand die vindt dat hij zijn werk goed doet, dat hij zijn beroep onder de knie heeft, die wil categorieverhoging. Daarmee uit. En vroeger kon je daar als arbeider, samen met je hoofddélégué over gaan praten met de personeelsdirecteur. Als je je gepasseerd voelde. Als je een verhoging verwacht had en die toch niet kreeg. Nu was het echter afgelopen met die inspraak. De psychologen zouden bepalen wie wanneer in welke categorie terechtkwam. Maar die oudere arbeiders-eerste klas moesten toch nog aan die gesprekken deelnemen. Ik heb dat persoonlijk altijd geweigerd. Daar wou ik mijn tijd niet in steken.

We stelden echter nog iets anders vast in die periode. De meestergasten die de gesprekken af moesten nemen, waren daar ook helemaal niet gelukkig mee. Om twee redenen. Ten eerste moest het verslag van zo’n gesprek ondertekend worden door de arbeider in kwestie. En het gebeurde heel vaak dat zo’n man zei: ‘Hoor eens, ik wil hier wel wat tijd komen verspelen, maar zo’n document teken ik niet. Punt uit.’ En daar zaten ze dan. Want de baas had gezegd dat alle verslagen getekend moesten worden. Nu waren die meestergasten zo bang dat ze soms zelf een valse handtekening plaatsten onder zo’n verslag. Om toch maar geen blaam te krijgen. Een tweede punt was, dat ze zelf ook omscholing moesten volgen. Ze kregen op die cursussen een boel psychologie te verwerken. En daar moesten ze dan weer examen over afleggen. Die mannen kwamen echt tussen hamer en aambeeld te zitten. Wat ons het meest verontrustte, was de hele filosofie die achter het plan zat.

Het ging om de macht - Boven

‘En om te eindigen tenslotte de bedenking dat de macht van de militanten over de mensen toch enorm groot is. (...) We kunnen daaruit alleen maar besluiten dat geen middelen mogen bespaard worden om de mensen zodanig te informeren en te begeleiden dat de militanten de wapens uit handen worden geslagen en het anarchosyndicalisme de kop ingedrukt. Dan pas bestaat er misschien een kans om weer een ernstig overleg op gang te krijgen.’
Victor Nelen, Afgevaardigd-Beheerder

Het plan kwam neer op een patronale aanval op de vakbond, de délégués, militanten en uiteindelijk de arbeiders zelf. Al kostte het hem miljoenen, ze zouden de macht van de vakbond op het bedrijf voor eens en voor altijd breken. Die aanval werd tijdens de lock-out ingezet en loopt nu nog steeds verder. Ze was vakkundig en vernuftig in mekaar gezet. Moeilijk te doorzien en goed getimed. Vlak na de lock-out kende de slagkracht van de arbeiders zeker geen hoogtepunt. Hadden ze het op een ander moment geprobeerd, dan was het er zeker niet doorgekomen. We hebben er toen wel pamfletten over uitgedeeld en ik bracht het ter sprake op de algemene vergadering. Maar we hebben het niet tegen kunnen houden. Het zou later allemaal wel meespelen in de hardnekkigheid waarmee de staking van ’81 gevoerd werd.

Gelijk loon ... ook voor zes kuisvrouwen - Boven

De verkiezingen van ’79 moesten voorbereid worden. Met José De Staelen had ik het al vaak gehad over de manier waarop de propaganda gevoerd werd. Twee weken aan een stuk stonden militanten van de verschillende vakbonden aan de poort soms weinig zeggende folders uit te delen. En toen kwamen we op het volgende idee: we maken geen reclame meer voor de eigen kapel. We kochten 2000 grote bruine enveloppen en staken daar alle zinnig propagandamateriaal van de drie bonden samen en ons eigen programma voor Boel en gaven elke arbeider een enveloppe. Het was een serieus pak. Onze slogan was toen: stem niet 1, stem niet 2, stem niet 3, maar stem 123. De arbeiders zagen het als een manifestatie van de eenheid die ze wilden. De verkiezingen verliepen weer zoals in ’75. Die voor delegatie samen met die voor ondernemingsraad en comité. En elke arbeider kon weer kiezen voor om het even welke kandidaat op de verschillende lijsten. Het werd weer een verhouding van 7 ACV, 3 ABVV en 1 ACLVB.

In april ’80 zagen we plots een aantal vreemde kuisvrouwen over het bedrijf lopen. Ze bleken van een onderaannemingsbedrijf te komen: Electro-Power. We bleven gevoelig op dat punt. We wisten immers waar de patroon naar toe wilde: een vaste kern van eigen arbeiders en de rest losse krachten, mensen in onderaanneming die minder verdienen, minder rechten hebben en de volgende dag buiten gezet kunnen worden. We vroegen om uitleg aan de personeelsdirecteur. De uitleg hadden we kunnen voorzien: ons eigen personeel was veel ziek, er was maar sprake van zes mensen en het zou bovendien voor een korte periode zijn. We stelden vast dat die zes meisjes die door Electro-Power naar Boel gestuurd waren, 17 fr. minder per uur verdienden als het Boelbarema. Dat kon dus niet. We stonden op het principe: gelijk loon voor gelijk werk. We wisten dat het anders niet lang zou duren voor onze eigen kuisvrouwen ook 17 fr. minder zouden krijgen of dat hun werkzekerheid in het gedrang zou komen. Onze directie had er weer zogezegd niets mee te maken. Het was uitsluitend een zaak van Electro-Power. Maar Electro-Power beweerde dat Boel geen nieuw contract met een prijsherziening wou. De vrouwen zelf konden of durfden ons niet te helpen. Ze waren niet zo syndicaal bewust en al tevreden dat ze werk hadden. We vonden dat we er toch iets rond moesten doen. In elk geval stonden onze secretarissen achter ons en zijn ze ons gedurende heel die actie ook blijven steunen. We besloten toen met de syndicale delegatie dat we de zes zouden beletten nog te werken tot hun loon in orde was. Dus stonden we piket met een paar mensen om die meisjes tegen te houden. Na een paar dagen sleepte de patroon ons voor het gerecht. Hij sprak een advocaat aan en de zaak kwam voor in kortgeding. Daar kregen we te horen dat we de zaak binnen de 24 uur stop moesten zetten. We gingen daar niet op in en verscherpten de actie integendeel. We trokken er de militanten bij en omdat we moeilijk elke dag met 50 man aan de poort konden blijven, voerden we een beurtrol in. Iedereen ging vier dagen werken en de vijfde dag stond hij piket tegen de kuisvrouwen. Waarop de directie met een nieuwe stunt uitpakte. Ze voerde een lock-out in tegen de militanten. Als de militanten na hun piketdag zich terug aanboden, kregen ze geen werk meer en geen loon. Ofwel werkten we alle dagen, ofwel staakten we zei de baas.

Lock-out: klasse tegen klasse - Boven

Wij haalden er een deurwaarder bij en lieten hem vaststellen dat baas ons geen werk wou geven en dat hij dus loonderving pleegde. Dat proces is nog altijd niet definitief uitgesproken. Eén van de acties die eruit voortkwamen was de bezetting van de brug. Met alle militanten hebben we op een bepaalde dag de brug bezet zodat een afgewerkt schip niet uit kon varen. De rijkswacht en de politie van Temse kwam er weer bij te pas maar ze konden ons niet van die brug af krijgen. Ze trokken zich dus terug. Met onze ervaring uit het verleden wisten we wel dat ze nu versterking uit Gent aan zouden laten rukken. Dus hebben we een half uur later de brug vrij gegeven, net voor de mannen uit Gent toekwamen. Maar het feit dat die brug bezet werd, ging als een lopend vuurtje door heel Temse en in een mum van tijd stond er een massa volk aan de brug, naar die bezetting te kijken. We hebben toen later ook nog de vijfde verdieping, de directieburelen bezet. Dit alles maar om te zeggen dat die zaak voor ons een principekwestie was. Het ging weliswaar maar om zes mensen maar als je zes mensen niet de moeite waard vindt, dan schiet je ook niet in gang rond 50 mensen, of rond 128. En als je eenmaal overtuigd bent van een zaak of een principe, je begint er over na te denken, je werkt er op met je mensen, dan vind je hoe dan ook middelen tot verzet.

Als je niet vecht voor 2 man, zal je het straks niet doen voor 128 - Boven

‘Het was voor niemand op het bedrijf, ook voor de vakbonden niet, een geheim dat in de loop der jaren een teveel aan werknemers aangekweekt werd, onder andere door het in dienst houden van medische en sociale gevallen, terwijl ook de natuurlijke afvloeiingen onvoldoende waren om de verminderde personeelsbehoefte van het teruglopende orderboek te compenseren.’
Victor Nelen, Afgevaardigd-Beheerder

Na veel discussies en onderhandelingen hadden we op de werf verworven dat arbeiders, die door ziekte of ongeval hun vroeger werk niet meer aankonden, vervangingswerk kregen. De arbeidsgeneesheer duidde dan aan welk werk voor hen geschikt was. Op een bepaald ogenblik kregen twee arbeiders een dergelijk attest. Maar de patroon weigerde botweg hen dat werk te geven. Grote beroering onder de arbeiders. Onze sterkste troef was het attest van de geneesheer. Maar de directie hield voet bij stuk. Met de goedkeuring van onze secretarissen trokken we met een 40 tal militanten naar het bureau van die dokter. En net toen we er binnen kwamen, we hadden geen beter moment uit kunnen pikken, is hij voor de twee kameraden een nieuw attest aan het schrijven. ‘Ongeschikt voor het werk op de werf.’ Dus ook voor vervangingswerk. We vragen hem wat hij daar in godsnaam aan het doen is. Toen heeft hij toegegeven dat hij, onder druk van de directie, de oude attesten moest vernietigen en twee nieuwe schrijven.

We legden onmiddellijk een algemene vergadering in. Daar wordt voorgesteld een referendum te houden om te beslissen of er een stakingsaanzegging komt. Op die vergadering komen er nog een paar negatieve en verwarrende tussenkomsten van mensen die het met onze strategie niet eens zijn. Uiteindelijk stemt toch nog 60 % voor een stakingsaanzegging. Statutair niet genoeg maar het was een aanzet tot waakzaamheid. Het was een teken aan de wand van wat komen zou.

10. De grote staking van ’81 - Boven

‘Over mensen wordt niet gemarchandeerd’ - Boven

1980. De ‘nieuwe aanpak’ van de personeelsdienst greep diep in in het dagelijkse leven van de arbeiders. Bij het kleinste ‘vergrijp’ (te laat komen, te lang op de wc, te lang in gesprek met een délégué, ...) werd loon ingehouden, er werden verwittigingen rondgestrooid, er gingen aangetekende brieven naar huis. Het zat de mannen na een eind werkelijk heel hoog. En bovendien was de crisis uitgebroken, ook voor de scheepsbouw. Er kwamen minder bestellingen binnen, en de patroon maar klagen. ‘Boeren in nood’ noemden wij dat altijd.

‘Ondertussen was de economische situatie van ons bedrijf er verder op achteruit gegaan. De crisis in de scheepsbouw bleef maar duren. Ons orderboek was volkomen ontoereikend en bovendien sterk verlieslatend. Boelwerf was niet meer competitief op de buitenlandse markt door een te hoge kostprijs. Anderzijds was de binnenlandse markt te eng en onze middelen te beperkt om steeds maar voor eigen rekening te blijven bouwen.’ schreef Nelen achteraf. Op de ondernemingsraad van 20 januari kwam de directie dan uiteindelijk met haar besparingsplan op de proppen. De arbeidskost moest met 10 % verminderen. Inleveren dus, op loon en op mensen. Het volledige plan was:
- Afvloeiing van ongeveer 250 arbeiders en 50 bedienden;
- Aanpassing van het bedrijfspensioenstelsel van de arbeiders door vermindering van de bijpassing tot 90 % in plaats van tot 100 % van het nettoloon;
- Niet-indexering van het gedeelte van de wedde boven de 71.800 fr.;
- Beperking van de kredieturen voor syndicale opdrachten tot het strikt wettelijke;
- Bezuinigingen inzake materiaal, energie, algemene onkosten, enz.;
- Verhoging van de productiviteit, o.a. door bestrijding van het absenteïsme, verbetering van de kwaliteit, enz.

We polsten de bedienden eens en die waren ook niet te spreken over het plan. Maar al heel vlug kwamen ze via onderhandelingen tot een akkoord waarbij het aantal afdankingen tot 10 beperkt bleef. De arbeiders bleven echter flink op hun stuk staan. We hadden nu eenmaal de principes ‘geen inleveringen, en geen afdankingen’ gesteld en daar bleven we bij. Over 10 fr. opslag kon je nog onderhandelen. Over mensen echter wordt er niet gemarchandeerd. En inleveren? Nooit! We hadden in België al gezien hoe mensen klaar gestoomd werden om in te leveren. Later sloten de bedrijven toch en werden ze ook afgedankt. Inleveren kan nooit een oplossing bieden. Als ze werkelijk geld nodig hadden, dan moesten ze het maar halen waar het zat, bij hen die de rijkdommen uit de fabrieken weg sleepten, bij hen die miljoenen frauderen. Dat ze die doen betalen. Daarnaast hadden we bovendien een cao die werkzekerheid garandeerde. Die cao werd verlengd met een jaar. Dat gaf ons kracht. Zeker aan de secretarissen.

Gewapend met die principes, uitgediscussieerd onder de militanten, trokken we op 23 januari naar de algemene vergadering. We stelden daar ons alternatief voor:
- geen afdankingen, het werk verdelen door vier dagen te werken en een dag te stempelen;
- de leeftijd voor het bedrijfspensioen verlagen;
- alle overwerk weigeren;
- het ploegenwerk tot het minimum herleiden.

Dit plan werd door 84 % van de mensen goedgekeurd. En meteen was onze actie geboren: we zouden het eerste punt in de werkelijkheid al afdwingen. Dus werd er vanaf die week vier dagen gewerkt en één dag gestaakt. Dat hebben we zo’n drie weken gedaan. Toen hebben we een bestand getekend. We wilden de procedure, voorzien in de gewestelijke cao haar verloop laten kennen. Maar met de vaste afspraak om onmiddellijk en volledig in actie te gaan zodra de eerste afdanking viel.

In die tussenperiode verscheen de ‘kadervereniging’ op het toneel. Zij lanceerde het voorstel dat iedereen op Boel voor de duur van 1 jaar 3 % in zou leveren. Die ‘kadervereniging’, dat was weer zo iets bizars. Wie was dat? Wie vertegenwoordigde ze? Met welk recht sprak ze? Dat was weer een van die tactieken van de patroon. Later, toen de staking volop aan de gang was, leerden we ze echt kennen, als rattenronselaars en knokploegen. Op één van die besprekingen met Saverijs heb ik hem nog het volgende voorstel gedaan. Inleveren? OK, maar laat ons dan, van hoog tot laag, van directeur tot opkuiser eens een jaar aan hetzelfde loon werken, een fatsoenlijk arbeidersloon. En bekijken we dan eens hoeveel dat het bedrijf op zal gebracht hebben. Hij begon zogezegd wat te rekenen maar uiteindelijk bleek ‘dat toch niet genoeg op te brengen’. Ik wist ook wel dat hij niet op mijn voorstel in zou gaan. Ik wilde alleen maar de idee lanceren: laat alle bomen nu eens even dik zijn.

Ondertussen liepen alle besprekingen op niets uit. Op 9 april 1980, tijdens een ‘verzoeningsvergadering’ valt het verdict: er komen geen 250 ontslagen maar wel 128, onmiddellijk. Met ons referendum in het achterhoofd ging Boel op 10 april definitief in staking.

50 arbeiders in een stakerscomité - Boven

Vanaf die dag kwam het ‘stakerscomité’ elke dag bijeen. Elke dag, vijf maand lang zouden 50 à 60 militanten de toestand bespreken, initiatieven nemen, problemen voorleggen en oplossen. Eens in de week kwamen ook de drie plaatselijke secretarissen naar de vergadering om verslag te doen van de eventuele contacten, en om mee te discussiëren over de standpunten en de ideeën van het stakerscomité. Het is dat comité geweest, die sterke groep van overtuigde militanten die de staking van het begin tot het einde geleid en bezield heeft. Ik herinner me dat we in ’79, vanuit de syndicale delegatie, een discussie gelanceerd hadden over ons alternatief: ‘Het geld halen waar het zit’. We konden niet naast de problemen kijken. De inleveringsplannen van de regering, afdankingen, sluitingen, ... Daar hebben we rond gediscussieerd met de militanten tot we een uiteindelijke tekst hadden. Eerst met de délégués, daarna met de militanten. Dat gaf een zekere kracht. Als je met een groep kunt werken, die in een zelfde richting denkt, dan kun je met die groep leiding nemen in de strijd tegen het saneringsplan. Die groep van 50 à 60 mensen had een lange weg afgelegd om te komen tot zo’n hechte samenwerking. We voelden ons verbonden, we hadden al eerder samengewerkt, over de verschillende vakbonden heen. We waren echt overtuigd van de eenheidsgedachte, zoals arbeiders die echt wensen. Je moet kunnen geloven in je militanten, overtuigd zijn van hun kunnen, van hun verscheidenheid en van hun capaciteiten. Hun creativiteit laten werken, hen opdrachten en verantwoordelijkheid durven te geven. Op een bepaald ogenblik trokken we in kleine groepen naar alle mogelijke bedrijven om pamfletten uit te delen, om onze zaak uit te leggen. En ook daarover brachten we verslag uit op het stakerscomité.

Radio Solidariteit - Boven

Een aantal jongere mensen, met wat verstand van techniek, zetten zo de vrije radio ‘Solidariteit’ op. Ze hadden zo hun eigen gesprekken onder mekaar: hoe gaan we het nu aanpakken, wat gaan we brengen, hoe kunnen we ingaan tegen de informatie die de patroon met al zijn middelen verspreidt, hoe kunnen we de oproepen en de standpunten van het stakerscomité overbrengen? Anderen hielden deskundig en nauwkeurig de administratie en de steuncampagne bij. Nog anderen organiseerden vergaderingen in hun gemeente voor de stakers en hun familie. Mensen die contact hadden met de culturele sector, staken het programma ineen voor de ‘mars van de 128’, ...

Informeren, confronteren, organiseren. Dat was de opdracht van het stakerscomité. Mekaar en de andere arbeiders informeren, het confronteren van verschillende meningen, en organiseren van alle mogelijke initiatieven. Als je met zo’n ploeg onder de arbeiders kunt werken, geeft dat een onvoorstelbare kracht. Neem bijvoorbeeld de piketten, waar veel arbeiders bijeen kwamen. Als delegatie alleen kun je niet naar alle mensen luisteren. Met 50 man wel. En met al die bedenkingen kwamen ze terug naar het stakerscomité en konden we onze acties en onze voorstellen beter op de arbeiders afstemmen. Voor die mensen zelf was het een vormingsproces dat anders maanden en jaren in beslag genomen zou hebben.

Soms hoor je wel eens dat zo’n stakerscomité buiten de vakbond werkt. Dat klopt niet. Wij werkten binnen de vakbond, in samenspraak met onze secretarissen. Dat betekent nog niet dat alles rimpelloos verliep. Maar we wilden altijd zo ver mogelijk samen met hen opstappen. Dat vergde veel discussies. Zowel bij het begin van de staking, om ons te verenigen rond een plan als tijdens de staking. Tot de eindstemming zijn we er in geslaagd om hen aan onze kant te hebben. Zo hadden we eens een bijeenkomst, halfweg de staking. Saverijs had het gerucht verspreid dat hij de werf zou sluiten. De secretaris van het ACV dreigde door de knieën te gaan voor dit dreigement. Maar door lange discussies op het stakerscomité sloot hij terug aan. En ’s anderendaags verdedigde hij de staking weer vol gloed.

Soms vroeg een kameraad-délégué van een andere werf, bedrijf of mijn, mij wel eens: hoe zijn jullie tot zo’n stakerscomité gekomen? Met arbeiders, délégués en militanten en ook door de secretarissen van de vakbond wordt als de leiding van de staking? Mijn antwoord daarop is vrij eenvoudig: onze militantenwerking op de werf was door de jaren heen op zo’n hoog peil gekomen, die werd zo collectief gedragen dat ook meer behoudsgezinden binnen de vakbeweging daar niet meer toe konden slaan. Onze délégués en militanten hadden zulke progressieve standpunten dat verzoenende standpunten bij ons geen ingang meer vonden. Het is dus echt van onderuit gekomen. Wij hebben alle verworvenheden van ons strijdsyndicalisme moeten afdwingen van de eerste tot de laatste. Zo zijn we tot dat niveau gekomen dat het logisch was dat strijdbare arbeiders de stakingsleiding op zich nemen in de vorm van een stakerscomité. Getuige daarvan is het geheide boekje van Nelen: Tien jaar boel op Boel. Daarin zegt hij herhaaldelijk hoe die militantenkern een doorn in het oog werd voor wie aan de kant van het patronaat stond. Dat is de kracht geweest. Dat is het antwoord op de vraag waarom je een stakerscomité op kunt richten, waarom dat goed functioneert. Dat is in heel de geschiedenis van onze vakbondsstrijd op Boel zo geweest. Van onderuit opgebouwd. En naarmate je dichter bij de staking van ’81 komt, kun je steeds beter zien hoe die democratische structuren altijd maar steviger werden. Hoe de arbeiders, de basis, steeds steviger op een klassestandpunt kwamen te staan. Dat het werk in gemeenschappelijk front een totale verworvenheid was geworden. Gemeenschappelijk werk onderaan dus. Zodat de zwakkere, meer behoudsgezinde elementen in de minderheid kwamen door het actieve werk van een progressieve meerderheid.

Het was een vreemde staking. Ik heb nog nooit zo’n stille staking meegemaakt als die weken in april ’81. Geen werkwilligen, geen beweging. Het was de staking van de stilte. Maar ook de staking van de diepte. Op elke vergadering weer kon je aanvoelen hoe diep het zat bij de mannen. De hele voorgeschiedenis op Boel speelde daar bij mee. De zaak van Electro-Power, de twee medische gevallen, de pesterijen op het werk, ... Dit alles speelde mee toen de mensen op een dag zegden: ‘Nu is het genoeg, nu is het aan ons’. En dan die solidariteit: met 2000 mensen in staking, gedurende vijf maanden, voor 128 kameraden. Omdat er zo weinig volk naar de piketten kwam, organiseerden we vanuit het stakerscomité vergaderingen in de gemeentes. Het werden iedere keer weer levendige discussies waar mannen en vrouwen uitspraken waarom ze wilden staken. Maar waar ook de twijfels en de vragen aan bod konden komen. Hoe lang zal dit alles duren? Kunnen we wel winnen? En dan weer de beginnende financiële problemen in de gezinnen, ...

Solidariteitsstaking van de hele metaalsector - Boven

Het was onze diepste overtuiging dat deze sanering, deze verkrachting van alle overeenkomsten, geen zaak kon zijn van Boel alleen. Dit moest een zaak zijn van de hele syndicale beweging. We hebben het daar over gehad op het comité en met onze secretarissen. En die mannen hebben hun werk gedaan. Ze hebben informatievergaderingen gegeven op de andere metaalbedrijven in de streek. Zo zijn we gekomen tot een 24 urenstaking voor de hele metaalsector en een betoging in Sint Niklaas op 22 mei. Ik zie daar onze provinciale en nationale secretarissen nog staan. Op het dak van het Gildenhuis. Ik hoor Van den Eynden, provinciaal secretaris van ABVV-metaal, nog zeggen:

‘Fabrimetal wil de oorlog. Wij nemen de handschoen op.’

‘Fabrimetal moet weten, dat indien deze laatste verwittiging in de wind geslaan wordt, de metaalbewerkers in geen geval deze principiële strijd van de scheepsbouwers zal laten neerslaan.’

En Jos Philipsen van de CCMB van het ACV zei:

‘Wij zijn bekommerd om deze georchestreerde aanval, tegenover de arbeiders en hun organisaties. Daarom zeggen wij onze volledige steun toe aan de Boelarbeiders in hun verzet tegen de afdanking van 128 van hun kameraden. Daarom feliciteren wij u allen hier vandaag, het weze een hart onder de riem. Van de Boelmannen op de eerste plaats maar tevens voor alle arbeiders in dit land die vechten voor of bedreigd worden in hun tewerkstelling.’

En de secretaris van het ACLVB voegde er aan toe:

‘Uw solidariteit blijkt in de eerste plaats uit de steun die de arbeiders uit de verschillende bedrijven onderling betuigen en ten tweede, uit het steeds eensgezinde vakbondsfront dat tot voorbeeld mag gesteld worden voor iedereen in België.’

Dat deed ons goed. Het sterkte ons om te blijven ijveren voor een hele brede beweging rond de strijd van onze mannen.

De Wulf, minister van Arbeid, voelde dat het menens was en zocht naar een akkoord. Maar wij bleven op ons standpunt. Saverijs ook. Op de laatste stakersvergadering voor het verlof gebeurde iets vreemd. Van den Eynden sprak de mensen toe. Kort samengevat kwam het hier op neer: in plaats van de heropname van de 128 te eisen moet er een ander soort besprekingen gestart worden. En hij verwees daarbij naar de scheepsherstelling. Zonder er dieper op in te gaan. Maar op de scheepsherstelling was 700 man afgedankt, had iedereen 4 % ingeleverd en waren de twee bedrijven gefusioneerd. Dat kon dus tellen, als je weet wat na de staking in de scheepsbouw gebeurd is: de faling van Cockerill Yards, het verlies van honderden arbeidsplaatsen en de fusie met Boel. We voelden wel dat zijn tussenkomst op iets ernstigs wees maar de ware toedracht is ons pas later duidelijk geworden. In Hoboken voelden we trouwens al de invloed van de redenering van Van den Eynden. We hadden zeer goede contacten met de delegatie van Cockerill. Je kon zo voelen dat ze echt bereid waren om ons bij te springen. Maar tegelijk voelde je die enorme druk van Van den Eynden waaronder ze leefden.

De vrouwen - Boven

Het thuisfront is altijd zeer belangrijk. Zeker in een dergelijke staking. Een aantal vrouwen van militanten hadden de koppen bij mekaar gestoken en een vrouwencomité opgericht. Ze stelden een vrij brave brief op, gericht aan Saverijs. Zij trokken in een enthousiaste betoging naar zijn villa. Maar ook zij kwamen van een kale reis terug. Saverijs deed ronduit onbeschoft tegen hen en madam, och madam keek heel erg ongeïnteresseerd naar hen, het lag op haar gezicht te lezen dat de scheepsbouw hen niet er interesseerde, dat die scheepsbouwers toch maar het vuil van de straat waren. Die 100 vrouwen hebben die dag geleerd dat je nooit beroep moet doen op het goede hart of het medelijden van een kapitalist, dat hij niet te vermurwen is, dat voor hem de grootste winst telt, en niet het grootste aantal banen.

Na het verlof werkten we aan twee grote initiatieven. Een déléguéconcentratie op 10 augustus en de ‘Mars van de 128’. Begin augustus probeerde minister De Wulf ons nog een voorstel op te dringen waarbij de 128 voor drie jaar in een tewerkstellingscel terecht zouden komen waarbij ze 90 % van hun loon behielden. Het voorstel werd zowel door ons als door de plaatselijke secretarissen verworpen.

En dan 10 augustus. De sporthal van Temse liep vol. Arbeiders van Boel, het stakerscomité en tientallen délégués uit de metaal, uit Gent, het Waasland, Antwerpen waren aanwezig. Voor ons zou het een strijdmeeting worden waar we onze staking uit zouden leggen, waar we ‘open micro’ zouden hebben zodat iedereen aan het woord kon komen. Maar na onze inleidingen nam Van den Eynden het woord. Opeens was er geen oorlog meer met Fabrimetal. Het was een lokaal conflict geworden tussen een koppige patroon en koppige délégués.

‘Hier wordt liever gestaakt dan gepraat. Iets wat elders geen aandacht krijgt, krijgt op Boel altijd onbegrijpelijke dimensies. Het is een staking van de Boelarbeiders en van hen alleen.’

En bovendien was het hier plots geen strijdmeeting meer maar een ‘studiedag’. De mannen werden woest. Ze begonnen te roepen en te fluiten en Van den Eynden moest de vlucht nemen. Een aantal militanten uit Antwerpen volgden hem. Ze begrepen duidelijk nog niet waar het hem precies om ging. Misschien hadden wij het nog beter uit moeten leggen. Eén zaak was alvast duidelijk: er was iets gebeurd bij de provinciale en de nationale verantwoordelijken van de metaal. En wat dat iets was, zou duidelijk worden bij het einde van de staking, bij de faling van Cockerill, bij de uitsluiting van de ACV-kern en de sancties tegen secretaris Stroobant en de ABVV-kern.

Een volksbeweging komt op gang - Boven

22 augustus. De mars van de 128. Honderden actieve militanten en progressieve mensen kwamen op die zonnige dag naar Temse. Alle strekkingen en opvattingen waren vertegenwoordigd. In het centrum van de stad stond de grote tent van de Nieuwe Scène opgesteld. 128 mannen en vrouwen, in gestreepte pyjama, gesponsord door sympathisanten van de staking, doen drie rondes door Temse, voorbij de werf en de villa van Saverijs. De gestreepte pyjama’s symboliseerden de verdrukking, de controle, de pesterijen van Saverijs maar ook veel ruimer, van het hele patronaat.

Die dag is er vooral een brede beweging van steun en solidariteit rond onze strijd tot stand gekomen. Een echte volksbeweging heb ik het altijd genoemd. Die dag was ook heel duidelijk de tegenstelling aan de orde tussen die krachten in de vakbond die zich met man en macht achter ons geschaard hadden en een aantal leiders dat de argumenten van de directie geslikt had. Die tweede groep zocht voornamelijk hoe aan de prachtige staking een einde gemaakt kon worden. Stroobant heeft dat heel sterk verwoord op die bewuste 22 augustus. Voor een bomvolle tent zei hij toen:

‘Als we verliezen, verliest de hele arbeidersklasse van België en dat moeten we voorkomen. Vandaag is het de tweede stap naar de solidariteit. Gij hebt uw steentje bijgedragen. Als het de enige vorm van strijd blijft, als we de strijd langs syndicale weg niet breder kunnen maken, dan moeten we hier een nieuwe afspraak maken. Dan wordt het als het ware een opstand van arbeiders van alle centrales en bedrijven dooreen. Wanneer wij op een dag terug op de werf verschijnen, dan zal het voor de vakbeweging een schande zijn als we niet zouden winnen, dan zal het een slechte dag zijn voor de Belgische vakbonden.’

Wij willen een vakbond met een hart - Boven

Na 22 augustus kwam alles in een stroomversnelling terecht. De patroon stuurde zijn meestergasten en kaders op pad om de arbeiders te verwittigen dat er een ‘akkoord is en dat het werk hervat wordt’. De eerste keer waren we verrast en raakten een aantal werkwilligen binnen. Maar de tweede dag waren we al beter voorbereid. We hadden de poorten met kettingen dicht gemaakt. De directie vormde een knokploeg van kaders die rake klappen uit kwam delen. Er kwam een oproep vanuit het stakerscomité naar ‘alle arbeiders en sympathisanten’ om het piket te versterken. Meer dan 1.000 mensen kwamen naar de poort. Ondertussen had de directie een ‘comité van werkwilligen’ opgericht. Op kosten van Saverijs wordt elke arbeider per telegram opgeroepen het werk te hervatten. Overal worden gaten in de omheining gemaakt om werkwilligen binnen te loodsen.

Ondertussen legt minister De Wulf zijn voorstel opnieuw voor en hij verplicht ons een referendum te organiseren. Dat gaat door op 3 september in de sporthal. Iedereen, ook de plaatselijke secretarissen roepen op het voorstel van De Wulf te verwerpen. We hadden iedereen gevraagd om te komen stemmen, ook de werkwilligen. Want we wilden zo democratisch mogelijk werken. Ik dacht: ‘Als er een zes voor staat, dan zullen ze onze staking blijven erkennen, dan zitten we goed.’ Bij een eerste telling halen we 66 %. Gejuich in de sporthal. Maar dan komt de juiste uitslag. We halen, na 5 maanden staking, 62,5 %. Een uitslag om trots op te zijn. Voor ons was het duidelijk: de staking moest verder gezet worden.

In de Morgen verschijnt een grote advertentie: ‘Wij willen een vakbond met een hart’.

Zwarte zondag - Boven

Maar de hogere vakbondsleiding besliste er anders over. ’s Zondags valt het verdict: statutair moet de 66 % gehaald worden en daar wijken ze niet van af. Dus: ze erkennen de staking niet meer en dus betalen ze niet langer uit. We hebben onmiddellijk het stakerscomité bij mekaar geroepen. Unaniem hebben we daar beslist om verder te staken. We hadden met de arbeiders afgesproken de volgende ochtend, op maandag, terug bijeen te komen. De plaatselijke secretarissen waren aanwezig maar zwegen. Wij veroordeelden de beslissing van de leiding. We riepen op om ’s maandags te staken, tegen deze schandalige daad van de vakbond. En we riepen de anderen op ons massaal te steunen. Op die ene dag kregen we meer dan 1 miljoen fr. binnen. Daarmee hebben we het stakersgeld van die dag uitbetaald.

De dinsdag, heel vroeg, zijn we opnieuw bijeen gekomen met het stakerscomité. Ondanks alles steun, moreel en financieel, konden we het niet halen. En dan zijn we naar de arbeiders aan de poort getrokken. Het was één van de moeilijkste momenten van mijn leven:
‘Het stakerscomité heeft beslist de staking te beëindigen. Omdat de vakbondsleiding ons laffelijk een mes in de rug heeft gestoken, omdat zij onze staking niet verder erkent en ook niet meer betaalt. Het stakerscomité verwerpt het voorstel Dewulf en zal de strijd met alle middelen binnen het bedrijf verder zetten.
Aan alle stakers: dank...’

11. De vakbondsmoord - Boven

Na de staking gaf Van den Eynden toe dat hij, samen met de provinciale secretaris van de CCMB (ACV-metaal), verscheidene keren bij Saverijs op bezoek was geweest. Wat daar besproken werd, waartoe ze zich verbonden hadden, zou snel duidelijk worden.

De staking was nog maar net gedaan, toen bekend raakte dat Cockerill Yards zware problemen had. De werf ging failliet. 2000 arbeiders, waaronder een hele groep strijdbare militanten stonden op straat. Voordien hadden ze de arbeiders nog voor die valse keuze gesteld: inleveren of anders kan de werf de crisis niet overleven. Terwijl de beslissing om de werf te sluiten al genomen was van hogerhand. Alsof de inlevering van de arbeiders maar iets aan de situatie had kunnen veranderen. De vakbondsleiders hebben herhaalde malen geprobeerd de mensen te overtuigen van het nut van de inlevering. Ze hebben dat elke keer principieel geweigerd. Georges Debunne heeft hen daarvoor trouwens nog gefeliciteerd.

23 augustus 1982. Acht van onze beste militanten worden door Vandenbussche, de plaatselijke CCMB-secretaris uitgenodigd een ‘open gesprek over de moeilijkheden binnen de kern’. Het was ‘vertrouwelijk, alles bleef tussen hen, iedereen kon dus vrijuit spreken’.

Een paar weken later, op 16 september, roept Vandenbussche de kern bijeen. Hij leest er een nota voor van 8 bladzijden lang. Hij beroept zich op die fameuze vergadering van 23 augustus om te stellen dat:
- Jan Cap moet ‘afscheid nemen’ en geen kandidaat meer kan zijn bij de verkiezingen;
- De CCMB zijn ‘eigen boontjes nu gaat doppen’. Samenwerking met het ABVV en met René Stroobant is vanaf nu uit den boze;
- Er voortaan gewerkt moet worden volgens de richtlijnen van de organisatie. Het moet nu eens afgelopen zijn met het vallen over ‘futiliteiten’ en het werken met ‘subtiel uit de hoek gehaalde principes’;
- Er geen vrije déléguéverkiezingen meer zullen zijn, er voortaan mandaten gecumuleerd mogen worden.
- We ons geen ‘syndicale avonturen meer kunnen permitteren tegenover de crisis in de scheepsbouw.’ ‘In plaats van bekritiseren en eindeloos confereren, zullen we ons correct moeten inzetten’.

Na zijn inleiding las hij zij fameuze tekst voor:

‘Wij gaan er geen doekjes om doen en meteen starten met misschien het meest, op menselijk vlak gezien, triestige probleem van onze hoofdafgevaardigde. Jan zal nooit kunnen ontkennen dat wij in persoonlijke en toevallige gesprekken herhaaldelijk hebben gewezen op het feit dat ‘anderen’ bepaalde van zijn uitspraken en houdingen eenvoudig niet konden nemen. Ook dat wij, tot zover wij konden, hem niet alleen hebben verdedigd maar tevens ook de hand boven het hoofd hielden. (...)

Als organisatie kunnen en willen wij het niet nemen dat een hoofdafgevaardigde die ons vertegenwoordigt op een van de belangrijkste ondernemingen, zichzelf en meteen ook zijn organisatie, door zijn houding en uitspraken, in een dusdanig daglicht stelt dat wij t.o.v. patroons en eigen vakbondsmensen niet de minste ‘spreek’ meer hebben. (...)

Ik verklaar hierbij openlijk dat het geenszins mijn bedoeling is om t.o.v. Jan aan koppensnellerij te doen. Zijn hoofd zal vandaag niet vallen.

Maar anderzijds dient openlijk gesteld dat ik, geplaatst voor mijn verantwoordelijkheid ter zake, onmogelijk nog langer de hand boven zijn hoofd kan houden.

Dit wil ook zeggen dat wij de komende maanden Jan zelfde kans geven tot het in dit geval passende besluit te komen.

Indien Jan echter meent op deze handreiking om op eerbare wijze afscheid te nemen, niet te kunnen ingaan, dan zeggen wij nu reeds in alle klaarheid en om alle mogelijke gissingen ter zake te vermijden dat vanaf de volgende sociale verkiezingen de kandidatuur van Jan niet meer op onze lijsten zal kunnen voorkomen. Dit is een gegeven dat vaststaat. Welke ook de gevolgen en de aard van die gevolgen kunnen zijn.

(...)

Een tweede delicaat probleem is dat van de onderlinge verhouding tussen de eigen militanten en de verhouding met de militanten van andere vakbonden.

Ik heb u op vergaderingen als deze regelmatig verwittigd dat een ‘open’ en ‘onbeperkt’ vertrouwen in militanten van andere vakbonden tot problemen zou leiden. Ik wees u op het feit dat ik ondervond dat men van ‘gene’ zijde niet altijd even ‘open’ en ‘eerlijk’ tegenover ons speelde.

Meestal hebt u deze verwittigingen schokschouderend afgedaan of verantwoord met verklaringen omtrent onderlinge vriendschap, gemeenschappelijk belang en arbeiderssolidariteit. (...)

Onze houding zal er in de komende tijd dan ook een zijn van ‘Eigen boontjes doppen’. Dit wil zeggen dat wij voor onszelf zullen uitmaken welke eventuele zaken of bijeenkomsten ‘samen’ kunnen behandeld of gehouden worden. Alle andere, aldus door ons niet uitgemaakte ‘samenhokkerij’ is voor ons van nul en gener waarde en heeft t.o.v. onze organisatie geen enkele bindende kracht. (...)

Het moet echter duidelijk zijn: Van nu af aan gaan wij ook op dit punt, als CCMB onze eigen weg.

Vrienden militanten. Vakbondsmilitant zijn is iets anders dan militeren voor een of andere ongestructureerde, geen verantwoordelijkheid dragende, beweging of club.

U moet beseffen dat u een mandaat draagt, u weliswaar ‘toegestemd’ door uw medearbeiders, maar dat aan de naam van uw organisatie verbonden is. Dat wil dus duidelijk zeggen dat u gehouden zijt datgene wat uw organisatie u meent te moeten voorhouden, naar best vermogen en misschien tegen het eigen inzicht in, uit te voeren. Ook al kost dit moeite. Zoniet maakt men ‘misbruik’ van zijn mandaat. (...)

Herhaaldelijk heb ik moeten vaststellen dat sommige mandaatdragers onder u, voor zij een standpunt durven innemen, simpel naar de ogen van een ander kijken om te zien wat die doet of zou doen: een gebrek aan zelfstandigheid en een blijk van futloosheid of gebrek aan ruggengraat. (...)

Maar het is een feit, of we dit nu graag horen of niet, dat wij op dit ogenblik t.o.v. de werfdirectie geen enkele ‘spreek’ meer hebben. Dat zij, zonder dat wij ook maar uit ons hok kunnen komen, haar wil en haar ideeën doordrukt. Ik geloof niet dat wij tot de directie daarover een verwijt kunnen richten. Veeleer moeten wij ons afvragen of wij hen daar niet zelf de troeven voor in handen hebben gespeeld.

Of is het niet zo dat u om futiliteiten en subtiel uit de hoek gehaalde principes, op een bepaald ogenblik zelf de werking van de ingestelde subcomité’s onmogelijk maakte?

In plaats van tijd en energie te verbeuzelen aan urenlange discussies ware het veel beter om vanuit de gewijzigde economische situatie van de scheepsbouw zelf wat meer tijd te besteden aan het veel verder vooruitzien naar de mogelijke gevolgen van het innemen van een bepaalde houding of standpunt. Op die manier zal dan voorkomen worden dat u uw vinger tot aan de elleboog in het eigen oog gestoken hebt.

(...)

Is het te verwonderen dat een directie bij machte is ons ‘syndicaal’ bijna monddood te maken als zij vaststelt dat enerzijds het syndicaat richtlijnen verstrekt, maar dat, op haar onderneming, bepaalde mandaatdragers van datzelfde syndicaat toch hun eigen ‘goestinkske’ doen? Hoe kan zij ons in die omstandigheden ernstig nemen?

De vraag kan zich stellen: waarom gaan de syndicaten met een dergelijke herstructurering akkoord?

In het verleden heb ik in dit midden herhaaldelijk melding gemaakt van de capaciteitsafbouw die zich in de ons omringende landen voltrok en dan ook voorspeld dat onze beurt uiteindelijk ook eens zou komen.

Toen wij in volle Cockerill-tribulaties zaten hebben wij, ook herhaaldelijk gewaarschuwd voor de gevolgen die een eventuele faling met zich kon brengen. De arbeiders-theologen en de ‘basisgroepen’ hebben toen hun schouders eens opgehaald of eens schamper gelachen. Zij wisten het immers toch weer beter. Spijtig genoeg komt alles uit zoals wij het voorspelden. Door het feit dat de staat zeer veel geld verloor aan de faling kon hij niets anders meer dan zich neerleggen bij en uitvoering geven aan de EEG richtlijn die de bouwcapaciteit drastisch vermindert.

(...)

Wij zitten dus economisch en syndicaal in een zeer broze en slechte toestand.

Door herhaalde en vertrouwelijke contacten met mensen die het goed weten maar het tevens ook goed met ons menen kunnen wij voor volle waarheid bevestigen:

- Dat de sector onmogelijk meerdere kosten kan dragen zoniet komen er in het geheel geen bestellingen meer of zouden de in het vooruitzicht gestelde contracten zeer gemakkelijk naar lage loonlanden kunnen worden overgeplaatst;

- Dat wij syndicaal zeer voorzichtig moeten zijn en ons in geen enkel geval enig avontuur, zelfs niet het allerkleinste, mogen ‘veroorloven of onze voeten ‘scheef’ zetten. Zoniet laat men ons eenvoudig lopen. De directie is ingedekt, wij en onze mensen niet.

- Dat wij ons ten allen prijze moeten hoeden voor daden die verlies voor de onderneming kunnen betekenen en op onze rekening zou kunnen geschoven worden. Iedere honderdduizend frank méér verlies betekent, hoe catastrofaal dat ook klinkt, een week dichter bij het totale verlies van onze werkgelegenheid.

In die context dient het vandaag reeds duidelijk gesteld dat er zeer weinig hoop dient gesteld in het realiseren van een algemene maatregel om op 55 jaar op prepensioen te kunnen gaan of om nieuwe zaken te verkrijgen.

Wij zullen onze belofte t.o.v. de S.D. dat wij de kwestie van de 55 jaar op het passende tijdstip met de directie zullen bespreken zeker nakomen.

Indien wij echter niet lukken moet vandaag reeds gezegd zijn en dient het voor u duidelijk te zijn dat onze organisatie niet de minste actievorm zal aanwenden, steunen of erkennen die rond deze kwestie zou kunnen vooropgesteld worden of ontstaan. Dit is oor ons nu reeds een vaststaand gegeven.

In gans deze aangelegenheid van economische en structurele broosheid en onzekerheid voor onze mensen, zal onze houding, als organisatie, er in de komende maanden dan ook een zijn van grote voorzichtigheid en afstand nemen van eventuele strakke standpunten van anderen.

Onze morele verantwoordelijkheid voor het beveiligen van de ‘Job’ van onze mensen gaat veel verder en is ons veel heiliger dan ‘Getheoretiseer’ over politieke en structurele samenlevingsvormen. Voor dit laatste is de toestand in de sector veel te ernstig en zeker niet gepast, voor dat eerste worden wij betaald.

Tot hier deze misschien op sommige ogenblikken harde en verstrekkende uiteenzetting en toelichting.

Wij hebben zonder ook maar eenmaal een blad voor de mond te nemen een realistische en zeer ernstige situatie geschetst. Probleem per probleem hebben wij behandeld en er, namens de organisatie, het genomen besluit aan toegevoegd.

Het ene probleem is niet los te koppelen van het andere. Het ene besluit is niet mogelijk zonder het andere. Naar de vermelde besluiten zullen wij handelen. Zij zijn immers genomen na ernstig, uitgebreid en diepgaand onderzoek en overwegen. O.i. staat het onwrikbaar vast dat alleen de uitvoering van deze besluiten uiteindelijk kunnen leiden tot de meest verantwoorde belangenverdediging van onze mensen in de scheepsbouw en tot de best uitgebouwde vertegenwoordiging van onze organisatie.

Juist daarvoor zijn wij geen harde standpunten uit de weg gegaan. U kunt nu kritiek op alles gaan spuien. Kritiek is toch zo goedkoop en vervangt veelal de moed om zaken door te zetten die echt moeten.

Even goedkoop zijn bodemloze ‘beschouwingen’ die toch nooit tot realistische oplossingen leiden. Ik wenste mij in deze aangelegenheid dan ook niet de rol van een ‘theoloog’ toe te meten. Wij zijn zover gekomen dat wij ‘kritiek’ en ‘beschouwingen’ vervangen door één enkele ‘rechte’ lijn.

Een lijn waar, in de moeilijke periode die voor de deur staat, diegenen die het met de eigen organisatie nog goed voor hebben, elkaar meer dan nodig zullen hebben.

Diegenen onder u die menen deze lijn niet te kunnen volgen zouden op hun beurt nu ook eens de ‘openheid’ en de ‘moed’ aan de dag moeten kunnen leggen en ‘uit de boot’ stappen.

Dank u.’

Iedereen was versteld. De 8 mensen van 23 augustus voelden zich op de meest smerige manier misbruikt. Er kwam zo’n sterke, hevige reactie dat Vandenbussche de vergadering moest verlaten. Die tekst maakte plots duidelijk dat heel ons syndicalisme opgeofferd moest worden om de sanering van de scheepsbouw mogelijk te maken. Het was een regelrechte veroordeling van onze staking. Alle principes, waar we jarenlang voor gevochten hadden, werden opzij geschoven. De eenheid waar we zo hard aan gewerkt hadden, werd ons verboden. En dan die laster, die leugens, die intimidatie, het gooien met modder, ...

Hoe ze iemand op die manier af wilden maken, ... Het was bijna niet te geloven, maar toch waar. En het is goed om te onthouden. Want veel militanten die zich inzetten en proberen correct te werken, zullen ermee geconfronteerd worden, en zullen dan in staat moeten zijn om rechtop te blijven staan.

De groep reageerde heel sterk en eiste een gesprek waar ik wél bij zou zijn. Dit werd geweigerd. Op 11 oktober kreeg ik dan uiteindelijk toch de kans om me, in aanwezigheid van de hele kern, te verdedigen. Ik heb daar een pleidooi gegeven voor alles wat we al gerealiseerd hadden. Ik heb ons werk, onze mensen, onze principes verdedigd. Ik heb de video over de staking gebruikt om te bewijzen hoe juist en hoe principieel onze mensen wel waren. Ik heb Vandenbussche daar geconfronteerd met wat hij zelf verklaard had, tijdens de staking. Hij, die anders nooit zweeg, zei nu niets en liep weg, zonder één woord van verantwoording.

We bleven ondertussen hopen dat de eerlijkheid en de rede het zouden halen. Dat we de zaak intern konden oplossen. We waren naïef, maar zo zagen we het toen.

Op 18 oktober deelden we een pamflet uit aan de arbeiders:

‘Vrienden, kameraden arbeiders, als militanten zullen wij alle inspanningen blijven doen om de maatregel tegenover Jan teniet te doen en desnoods samen met u de passende besluiten te nemen.’

De arbeiders waren ontsteld. Na de manier waarop de staking gebroken werd, nu dit? Hoe moet een arbeider dat allemaal verwerken? Maar de militanten namen een moedige beslissing. Ze weigerden zich kandidaat te stellen voor de sociale verkiezingen zolang de zaak Cap niet geregeld was. 26 van de 34 militanten tekenden de brief waarin dit besluit aan de CCMB werd gemeld. Maar de leiding wou niet wijken: de kern werd ontbonden. We trokken naar het huis van Vandenbussche. In alle rust. Maar hij sprak later van bedreigingen, huisvredebreuk, ondermaatse technieken, ... Tot in het oneindige werden plaatselijke en nationale instanties aangeschreven en verzocht om een gesprek. We wilden, met de hele groep, ons syndicalisme verdedigen, de leugens en verdachtmakingen teniet doen en weerleggen.

Ondertussen was de zaak ook naar buitenuit bekend geraakt. Een hele beweging kwam los. Allemaal mensen die het goed meenden met de vakbond en diep geraakt waren. ‘Vakbond en democratie’ werd de naam van iedereen die deze schande ongedaan wou maken. Op 16 december werd ik uitgenodigd op het dagelijkse bestuur van de CCMB-Waasland. Om kwart over negen ben ik daar en doen ze me het volgende voorstel:

‘1. De CCMB verbindt zich er toe bij de aanstaande sociale verkiezingen Jan Cap als laatste plaatsvervangende syndicaal afgevaardigde aan te duiden.

2. Van zijn kant verbindt Jan Cap er zich toe, in geen enkele omstandigheid, de taak van effectief afgevaardigde gedurende de vier jaar na de eerstkomende sociale verkiezingen uit te oefenen.

3. Door zijn handtekening erkent Jan Cap dat niet-naleving van voorgaande verbintenis en de uiterst stipte naleving van de door hem reeds op 28.2.75 ondertekende verbintenis (het memorandum) de onmiddellijke en onvoorwaardelijke uitsluiting als militant voor gevolg heeft.

4. Bij akkoord met voornoemde 3 bepalingen zal de CCMB Jan Cap op het passend ogenblik, voordragen als kandidaat-voorzitter van het Fonds Inkomenszekerheid en de Steunkas op Boelwerf.

Het Bestuur van het beroepsverbond is van oordeel dat een niet akkoord gaan met wat vooraf gaat de schrapping als militant van de CCMB-ACV voor gevolg heeft.’

Ik moest onmiddellijk antwoorden. Stel je je die situatie eens voor: weken lang hadden wij geduld gehad, brieven geschreven, argumenten opgesomd. En nu moest ik onmiddellijk antwoorden. Ik had mijn eigen opvatting, heel duidelijk. Elke militant is gelijk voor de wet en moet democratisch door de arbeiders verkozen kunnen worden. Mij ‘aanduiden’ was een kruis maken over de vrije verkiezingen waar we zoveel jaren voor gevochten hadden. En me als ‘laatste syndicale plaatsvervanger’ aanduiden, kwam er op neer dat ze me, om een voetbalterm te gebruiken, als laatste reserve op de bank zetten en mijn voeten afkappen. En dat ik de zekerheid had, dat ik nooit meer zou spelen. Maar mijn eigen idee over de zaak was niet beslissend. We hadden altijd alle beslissingen in de groep genomen. De militanten hadden al onvoorstelbare daden van solidariteit gesteld. Het antwoord was aan hen. Niemand kon hen dat recht ontnemen. Dat heb ik daar als antwoord gegeven. Om 10 u ben ik weggegaan. Naar de mannen. En die hebben unaniem gezegd: ‘Jan, dat voorstel kunnen wij niet aannemen. Ook al kost het ons onze kop.’ Zij hebben dat beslist. En terecht.

De CCMB-nationaal verspreidde een pamflet: ‘De waarheid verplicht ons’, op 15.000 exemplaren. De laster, de leugens en de politieke bedoelingen uit de nota van Vandenbussche werden er in overgenomen en massaal verspreid. Met de militanten hebben we daar een antwoord op gemaakt: ‘Open en bloot’. Daaruit een paar passages:

‘Robert, op waarheden wens ik mij te verantwoorden, maar het liefst op een algemene vergadering op Boelwerf. Ik daag u uit open en bloot dat allemaal te komen voorlezen en zeggen wat gij op 16 september medegedeeld hebt op de militantenvergadering. Anderzijds blijf ik rustig en wens mij niet te verliezen op roddels, halve waarheden en leugens. Want het is bij u allemaal ‘van horen zeggen’ en daar hoort ge veel leugens, of niet soms? Robert, zou het nu toch zo zijn dat er over mijn twintig jaar syndicale inzet niets goeds is te vertellen? Of moet gij een zondebok vinden om alles dat door de vakbonden is gedaan en misgelopen in mijn schoenen te schuiven? Heeft men u zo sterk onder druk gezet op de vele vergaderingen in Brussel over de herstructurering en fusie van de zeescheepsbouw dat gij Pilatus moet spelen? En ja, de naam CAP is kort en spreekt gemakkelijk uit. Ik krijg de indruk dat gij mij eigenlijk hebt laten schaduwen. Praktijken die een dictatuurstaat ook worden toegepast. Maar er staan in uw ‘Waarheid’ ongelooflijk veel missingen en leugens. Gij zult u moeten bedienen van specialisten zoals CIA.

Robert, u beschrijft het als een misdaad dat ik in mijn vrije tijd mij inzet , als vrijwilliger, belangloos, voor de arbeiders, de dopper en de kleine man. In uw ‘Waarheid’ spuit gij uw gal uit over al wat progressief en links is: socialisten, communisten, marxisten, morgen misschien tegen de boeddhisten of evangelisten. Eén zaak is zeker, dat gij specialist zijt in het plakken van etiketten van verdachtmakingen op mensen. Wat zei de Farizeeër ook weer toen hij ging bidden in de tempel? ‘Dat hij den besten was.’ Ge moet eens leren dat ne mens, ne mens is.

Hand in hand, kameraden.’ ... Robert, gedurende één van de acties op Boelwerf heb ik u in ’t Volkshuis nog wel ‘Hand in hand, kameraden, horen zingen. U gaf zelf nog de toon aan. Ik vraag mij af in welke hand gij vandaag uw hand legt. Mogen wij veronderstellen dat de vele vergaderingen die gij de laatste tijd gevoerd hebt in Brussel met politiekers, patronaat en vakbondsleiders u een losprijs hebben doen betalen. Namelijk: Jan Cap te liquideren, daarmee ook de syndicale werking te verlammen en de gemeenschappelijke werking boycotten.

Robert, in de hiërarchie van de vakbond zijt gij ook maar een kleine man. Ik heb daar nog begrip voor. Misschien zijn er machten die u beïnvloeden en gedwongen hebben. Het gezegde schiet niet op de pianist maar op de componist’ kunnen wij begrijpen. Maar u goedpraten als uitvoerder van een smerige daad en de manier waarop, kunnen we niet. U kan er zich niet van af maken met te zeggen ‘Bevel is bevel’. (...)

De CCMB ondermijnt haar eigen organisatie en handelt tegen de belangen van de arbeiders. De militantengroep van 27, samen met Jan Cap, moet heropgenomen worden om hun democratisch, strijdbaar syndicaal werk verder te zetten. Dat verwacht elke arbeider.

CCMB-ACV. Vakbondsleiders. Uw ‘Waarheid’ die gij aan 15.000 mannen en vrouwen hebt verspreid is walgelijk. Uw machtsmisbruik is angstwekkend voor de toekomst, omdat het ondemocratisch, onmenselijk en voor een christelijke organisatie onwaardig is. Uw daad zal afgekeurd worden door de arbeiders en militanten!! Het patronaat zal u proficiat wensen!! Hand in hand kameraden! Vakbondsleiders, in welke hand ligt de uwe? (...)

De slogan die gebruikt is op de betoging van 30/11/82 is niet goed en volledig weergegeven in het geschrift van de CCMB-leiding. Ter verduidelijking: Hij luidde als volgt: ‘Geen vagebonden, echte bonden, onze bonden’.

Onze arbeiders, en dus zeker ook wij, vinden dat de basismensen die er nog zijn, en dit niet enkel op de Boelwerf, worden uitgerangeerd en op een zijspoor worden gezet. Omdat men in crisissituaties het liefst alles stil heeft aan de basis. Maar dit is voor een leiding, als het haar bedoeling moest zijn, en zoiets kunnen wij slecht geloven, toch onhoudbaar. Dit is reeds bewezen in het nog niet zo lang voorbije verleden.

Zijn wij, als militanten links geweest? Hierop is ons antwoord: als wij ons als militanten belangloos en ten koste van veel vrije tijd inzetten volgens de methode ‘Zien — oordelen — handelen’, een methode die ons reeds vele malen werd voorgedaan en gepropageerd door de CCMB, is dit dan niet een opdracht die echt christelijk is? Waarom dan het verwijt dat wij links zijn? Wat is nu christelijk of wat is nu links?’

Op de werf organiseerden we een raadpleging onder de arbeiders. We stelden hen drie vragen:

1) Moet volgens u Jan Cap verkiesbaar zijn bij de volgende sociale verkiezingen?

2) Vindt u dat de 26 uitgesloten ACV-militanten zich terug kandidaat moeten stellen bij de volgende verkiezingen?

3) Vindt u dat er vrije verkiezingen voor de syndicale delegatie moeten zijn, zoals wij die de laatste verkiezingen hebben gekend?

De uitslag was duidelijk: over de drie vragen kregen we: 90,06 % ja, 5, 96 % nee en 3,97 % ongeldig.

Ondertussen bleven overal militanten protesteren. Er ging een ware schok door de christelijke arbeidersbeweging. Zo organiseerde ‘Vakbond en democratie’ op 19 februari een strijdmeeting in Brussel waar meer dan 1.000 mensen op af kwamen.

Daar heb ik het volgende gezegd: ‘Ik heb ooit eens in een jury gezeten voor een moordzaak. Wat is mij daar opgevallen? Ten eerste, alle gegevens werden nauwgezet voorgelegd. Ten tweede, de betrokkene werd degelijk aanhoord en ten derde de jury kon zelfstandig een oordeel uitspreken. Zo gebeurt het in het klassengerecht. Wel, ik betwijfel of dat kan in onze eigen vakbond. Ik spreek nu over het proces dat de vakbondsleiding tegen mij voert. Worden alle gegevens objectief voorgelegd? Wordt de betrokkene in alle eerlijkheid aanhoord? Kan de jury, dat zijn de arbeiders en de militanten beslissen? Ik stel vast dat de vakbondsleiding zich werkelijk de hersenen heeft moeten pijnigen om iets te vinden. Wie in de zaal heeft vanavond nog geen pintje gedronken? Als een vakbondsleider een pintje drinkt, zegt hij dat hij zich verfrist heeft. Wat hebben ze tegen mij gevonden? Jan Cap heeft een pintje gedronken, Jan Cap is op een vergadering brutaal geweest. Nee, dat soort zaken, op die toon, zelfs een patroon zou dat niet durven. Het is ondemocratisch, onmenselijk en ik zou eraan toevoegen, onchristelijk. Ik heb nu negenendertig jaar lang gewerkt in de christelijke arbeidersbeweging. Ik heb veel geleerd, veel ervaring opgedaan. Maar altijd als vrijwilliger, nooit heb ik mij laten binden door profijt, door gunsten, door alles wat wordt gebruikt om vakbondsmensen monddood te maken. Uit mijzelf ken ik niets, alles ben ik verschuldigd aan anderen.

Zij zeggen, Jan Cap had contacten met linkse organisaties. Ja, er zijn mensen die werken voor het socialisme en het communisme, wel, zonder hen zouden wij nog niet eens weten wat christen zijn werkelijk betekent. Wat betekent het dat men gelooft in een heilsboodschap?

Wij moeten weten wie de machten zijn op economisch, militair en politiek gebied, wat de kapitalistische productiewijze is. Als wij daar nu iets over weten dan is dat te danken aan vele kameraden, hier aanwezig, die werken voor het socialisme. Rondom ons stel ik vast dat het bewustzijn van de arbeiders fel verhoogt, maar dat ook de ontreddering toeneemt. De mensen stellen zich de vraag: met wie moeten wij meegaan? Voor welk programma?

Zeker, wij mogen niet alle vakbondsleiders op één lijn zetten, maar de uitzonderingen zijn toch weinig talrijk. Over ons werk op Boel beslissen zij boven ons, zonder ons, en tegen ons. Zoiets zouden wij niet aanvaarden van de economische machten, zoiets kunnen wij zeker niet aanvaarden van diegenen met wie wij aan hetzelfde front hebben gevochten. Eén van de mensen van de patroon heeft geschreven: “De grootste flater die wij hebben begaan, is dat wij Cap niet buiten hebben gesmeten in 1975”. Wel, die vuile karwei wordt vandaag opgeknapt door de vakbondsleiding. Zij zouden integendeel moeten leren hoe zij hun mensen moeten verdedigen, zoals de kapitalisten altijd hun mensen verdedigen. Zij spreken over inleveren. Welnu hier worden mensen ingeleverd door de vakbondsleiding. Zij hebben ons verweten mee te werken met “antisyndicale groepen”. Wie is vandaag, wie was altijd en wie zal altijd de sterkste antisyndicale groep zijn? Dat is het patronaat, zij zijn vandaag straatvechters geworden om de vakbonden uit te schakelen. Zij hebben nu psychologen, sociologen, advocaten. Zij hebben er veel geld voor over om onze werking te ondermijnen. Zij willen bekomen dat de syndicale afgevaardigden niet meer worden meegeteld onder de arbeiders. De vakbondsmensen zullen binnen het bedrijf niet meer bestaan, als men hen laat begaan. De vakbondsleiders hebben daar nog nooit over gedacht. De vakbond moet worden herdacht, de vakbond moet worden herboren. Zo kan het niet verder. De opvattingen, de structuren moeten worden herdacht. Het patronaat is de meest antisyndicale groep. Als de vakbondsleiding zichzelf respecteert, zou ze die acht bladzijden die ze tegen ons schreef, verscheuren. Zij is bezig de jonge mensen te demoraliseren, te verlammen. Zij ondermijnt zichzelf, zij maakt zichzelf kapot. Zo kan zij geen jonge mensen vinden die willen militeren, zo gaat zij veel mensen verliezen.

Wij hebben veel schone momenten gekend, veel overwinningen, maar soms was het ook zeer moeilijk. Aan de jongeren hier aanwezig zou ik willen zeggen: laat u nooit demoraliseren, wees nooit ontgoocheld. Doe altijd voort, organiseer u in de vakbond en ook erbuiten. Gij zult vele risico’s moeten lopen, maar één ding kan ik u zeggen, ge zult nooit alleen staan. Organiseer u in groepen, in de vakbond en ook erbuiten. Studeer veel en doe echte kennis op. En denk aan deze spreuk: “In het concert van het leven krijgt niemand een programma”.

Bij de sociale verkiezingen kwam het ACV op met de enkele militanten die zich van de groep gedistantieerd hadden en de leiding in alles waren gevolgd. Wij riepen de arbeiders op te kiezen voor die kandidaten die ons syndicalisme, dat van de staking van ’81, dat van heel die prachtige strijdgeschiedenis op Boel, verder wilden zetten. Het ABVV behaalde een klinkende overwinning en het ACV had slechts één verkozene in elk orgaan.

Na de sociale verkiezingen bleven we nog een tijdje bijeenkomen met onze groep. Maar stilletjes aan ging iedereen zijn eigen weg. We hadden op dat ogenblik te weinig een echt programma, te weinig precieze richting waarin we wilden werken om als groep te blijven samenkomen en onze rol te blijven spelen tegenover de arbeiders. Maar de meesten van hen zijn actief gebleven. Elk op zijn manier, tot vandaag. Ook voor mij was het een harde periode. Afgedankt worden door je patroon, dat is duidelijk. Maar afgedankt worden door de verantwoordelijken van je vakbond, dat snijdt diept. Het werd voor mij een periode van bezinning, van verder militeren, van zoeken naar een weg om met een nog grotere diepte en consequentie voor de arbeidersklasse te werken.

12. Terug in de rij - Boven

Na de verkiezingen werd al vlug duidelijk dat niet alleen de CMB een opdracht had gekregen vanuit de conclaafbesprekingen met Saverijs. Ook het ABVV moest orde op zaken stellen. René Stroobant, de plaatselijke secretaris, waar we al jaren zeer goed mee samenwerkten, moest weg. Van den Eynden nam hem zijn taak af en gaf die door aan Van Herbruggen, de secretaris van Hoboken. Ondertussen waren Boel en Cockerill gefusioneerd. Een hele groep arbeiders uit Temse werd voorlopig of definitief naar Hoboken gestuurd. Weg van hun bekende kameraden, weg ook van de délégués waar ze op vertrouwden. De opvattingen van de ABVV-militanten botsten voortdurend tegen van Van Herbruggen. Het ene conflict volgde het andere op.

Zelf kwam ik na de verkiezingen terug in de schrijnwerkerij terecht. Daar merkte ik onmiddellijk een aantal grote veranderingen. Vroeger werkten we er met 30 tot 40 mensen. Nu waren we amper met 5 man over. In het begin moest ik hele dagen hetzelfde doen: eenvoudige bakken in mekaar timmeren. Later werd ik achter een machine gezet. Ik noemde hem de ‘ijzeren schrijnwerker’. Overal zag je lichtjes en knopjes. Om de zes of zeven minuten sprong de machine open. Dan moet je er de onderdelen in steken, en zoveel minuten later moet je klaar staan met de volgende. Toen is mij duidelijk geworden hoe zwaar de technologie op ons werk ingegrepen had. En vooral hoe de man die daar moet werken dat aanvoelt. De patroons zeggen altijd dat het werk er veel lichter door wordt. Integendeel. De machine bepaalt het ritme, je krijgt met een enorme stress te maken. Maar het ergste vond ik, dat je er niet mee kunt praten. Je kunt er tegen vloeken, er tegen schoppen. Maar het reageert niet. Mensen communiceren, reageren, praten. Die machine zwijgt.

In die periode gaf de meestergast me eens de opdracht om over de hele werf vlaggen uit te hangen, ter gelegenheid van een doop. Maar dat duurde niet lang. Voor mij was het immers de gedroomde kans om eindelijk weer eens iedereen te zien, met iedereen te praten. Toen de directie vernam dat ik over de werf liep, kwam al vlug het bevel dat ik met dat werk moest stoppen.

In het voorjaar van ’84 maakte de directie bekend dat ze de schrijnwerkerij zou ‘rationaliseren’. Het kwam hier op neer dat de schrijnwerkerij van Temse volledig verdween. Een aantal mensen kon wel naar Hoboken overgeplaatst worden. Enkele anderen gingen op brugpensioen. Ik werd overgeplaatst naar het ‘meubelmagazijn’. Een loods van 60 op 80 meter. Ik stond daar alleen, samen met twee meestergasten. In die hall was werkelijk niets in orde. ’s Zomers was het er snikheet. ’s Winters vroor het er soms 10 tot 15 graden. Ik bleef wel alle mogelijke kansen benutten om met mensen te spreken. Al hadden ze me geïsoleerd, ik bleef gemakkelijk aanvoelen wat er onder de mannen leefde. Er kwam al eens iemand in ‘mijn’ magazijn, of ik moest wel eens ergens heen. Kortom, ik bleef op de hoogte van wat er op de werf leefde. Ter gelegenheid van het opdoeken van de schrijnwerkerij, was er een overeenkomst tot stand gekomen. Daarin werd vooreerst die stap in de sanering geregeld. Tegelijkertijd echter werden heel wat verworven rechten op de helling gezet, ondermeer rond de ploegvergoedingen, de regeling van de werktijden, enz. De ABVV-militanten hadden na harde discussies mét Van Herbruggen af kunnen dwingen dat dit akkoord op een algemene vergadering voorgelegd zou worden. Op die vergadering heb ik ook de mannen toegesproken. Samen met de délégués van het ABVV heb ik uitgelegd wat ze met ons aan het doen waren. We hebben er op gewezen dat de directie niets achterwege zou laten om onze verworven rechten kapot te maken. Ik had het over de ongelijke behandeling van de mensen, over de onzekerheid van alle arbeiders. Want velen voelden aan dat de sanering van de schrijnwerkerij het begin was van iets veel ingrijpenders. Ik heb gesproken over die vernederende ‘functioneringsgesprekken’ die iedere arbeider met zijn meestergast moest hebben. En dat sloeg aan bij die mannen! Het akkoord werd dan ook verworpen met 83 %! En wat zagen we toen gebeuren? Nog diezelfde dag gingen de secretarissen datzelfde akkoord ondertekenen. Voor de militanten van het ABVV was dit het einde. Ze trokken naar Antwerpen en eisten dat Van Hergbruggen teruggetrokken zou worden en Stroobant terug naar de werf zou komen. En Stroobant kwam terug. Maar... hij mocht niet de werf. Voor de directie was hij ‘persona non grata’.

De lassers staken - Boven

Vlak daarop gingen de lassers in staking. De directie had beslist de 5 % toeslag voor werk in gesloten ruimtes niet langer te betalen. Waarop de lassers spontaan het werk neerlegden. Dat bewees eens te meer dat je nooit moet denken dat het verzet onder de arbeiders dood is. Ondanks alle sterke dingen die ze meegemaakt hadden, gingen ze in verzet en eisten ze dat hun vakbonden hen zouden steunen. Op de ABVV-militanten en Stroobant konden ze rekenen. Maar het ACV en het ACLVB erkenden de staking niet. Onder druk echter van de mensen betaalden ze dan toch.

En toen kwam het binnen de PMB, de provinciale metaalwerkersbond van het ABVV, tot een stroomversnelling. Willemkens, de nieuwe provinciale secretaris, weigerde te onderhandelen in aanwezigheid van de délégués. Eén van hen vraagt hem of ‘hij de lassers misschien gaat verkopen’? Waarop de man afgezet wordt. Op vraag van de provinciale secretarissen zelf komt de sociale bemiddelaar een referendum organiseren bij de lassers. Waar de patroons al lang om vragen, waar de liberalen wetsvoorstellen over indienen, wordt hier door vakbondssecretarissen om gevraagd. Het voorstel werd zo eensgezind afgewezen dat de sociale bemiddelaar de uitslag niet eens durfde bekend te maken. De tegenstellingen werden trouwens harder en harder. Willemkens verklaarde in De Morgen dat de ABVV-délégués van Temse ‘fascisten’ zijn die in de vakbond geïnfiltreerd zijn. Uiteindelijk beslissen de militanten van het Waasland dat ze niet langer onder Willemkens kunnen werken en sluiten ze aan bij de afdeling West- en Oost-Vlaanderen van de ABVV-metaalbond.

Ik zelf had ondertussen de tijd gekregen en genomen om na te denken, om met kameraden van de PVDA, dieper in gesprek te gaan. Ik las al eens een boek, nam een studie door. Op 1 mei 1985 heb ik openlijk mijn beslissing bekend gemaakt. Ik trad toe tot de PVDA. Het was een belangrijke en overtuigde stap.

Na de staking van ’81 had Boel een nieuwe personeelsdirecteur binnen gehaald. Hij had zijn strepen al verdiend bij Volkswagen. Voor het eerst werd iemand van buiten het bedrijf voor zo’n functie in dienst genomen. Ik vergeleek het een beetje met de situatie bij de rijkswacht. Die worden ook ingezet op minstens 25 km van de plaats waar ze mensen kennen en waar de mensen hen kennen. Zijn opdracht was om nu eindelijk eens schoon schip te maken met dat strijdsyndicalisme dat zo diep zat bij de Boelarbeiders. De directie had ook haar lessen getrokken uit de staking en had gezien welke kracht de arbeiders konden ontwikkelen als ze met die ideeën, met die militanten op stap konden gaan. Die nieuwe personeelsdirecteur maakte een lijvig document op: Krachtlijnen voor een vernieuwd personeelsbeleid.

Tegen het ‘harmoniemodel’: 300 arbeiders naar de rechtbank - Boven

De nieuwe personeelsdirecteur legde onder meer uit dat er alleen nog maar gewerkt kon worden met militanten en verkozenen die passen in het ‘harmoniemodel’. Wie daar niet in paste, zou met harde hand aangepakt worden. Wanneer in ’85 één van de ABVV-verkozenen ontslag neemt uit de ondernemingsraad, geeft de militantenkern de opdracht aan Patrick Mertens om hem te vervangen. Maar Mertens paste niet binnen het ‘harmoniemodel’ en dus mocht hij er niet in. Hij besloot echter te blijven en dus trok de directie naar de rechtbank. De dag waarop de zaak voorkomt, organiseert men een algemene vergadering. Maar de directie heeft de eetzaal af laten sluiten. We bleven buiten staan. Toen heb ik iedereen uitgenodigd om te komen vergaderen in mijn magazijn. Daar was immers plaats genoeg. De personeelsdirecteur wou echter mee naar binnen gaan. Hij weigerde te vertrekken toen de délégués hem dat vroegen. Voor ons is dat altijd een principe geweest. Er is vrijheid van vergaderen. Vrijheid van spreken. Maar dat wil dan ook zeggen dat BOB’ers [een politiedienst, Bijzondere Opsporings Brigade — MIA], personeelsdirecteur en andere pottenkijkers niet op onze vergaderingen thuis hoorden. Wij gaan toch ook niet meeluisteren op een directievergadering? Ik heb toen, op die algemene vergadering, eerst aan de mannen uitgelegd hoe ik daar zat: in de kou, alleen, en met een loods en een machine waar niets volgens de regels werkte. Als demonstratie zette ik een paar machines in gang. Het stof vloog in het rond. Ik vertelde hoe vaak ik al bij alle mogelijke betrokken instanties was gaan klagen. Bij mijn oversten, bij de arbeidsgeneesheer, bij de productiechef. En telkens weer bleek dat er een dwingend bevel van boven uit was om vooral niets aan die situatie te veranderen. Het was weer een kwestie van aanvoelen wat er onder de mannen leefde, en om dat in één enkel feit duidelijk te maken.

De personeelsdirecteur heeft daarop de vergadering verlaten. En meteen was er weer de sfeer om een goede vergadering te hebben over de zaak Mertens en de rechtszaak in Dendermonde. Driehonderd arbeiders, in werkkledij, en met eigen vervoer, zijn toen naar de rechtbank getrokken. De zaak werd in eerste aanleg gewonnen.

Rond kerstmis kreeg ik het bericht dat ik, samen met nog een aantal arbeiders verplicht op brugpensioen werd gestuurd. De vooropzegging zou aflopen op 11 april. Ze waren er niet gerust in, ook al hadden ze me geïsoleerd in dat magazijn. Op 7 februari werd ik naar de personeelsdienst geroepen. Ik moest direct buiten. De rest van de vooropzeggingsperiode moest ik niet meer afmaken. Toen werd het voor mij glashelder dat er op Boel zeer snel al ernstige dingen zouden gebeuren. Daarom moest ik eerst weg. Op 10 februari heb ik dat nog uitgelegd in een open brief aan de arbeiders van Boel. Nog geen maand later verschenen de eerste krantenkoppen: ‘900 afdankingen bij Boel’. Voor de arbeiders was die periode een heksenketel. Tegenstrijdige berichten volgden mekaar op. Grote verwarring ook op het vakbondsfront. 11 van de 12 betrokken vakcentrales vormden een ‘werkgroep’ die zich volledig neer zou leggen bij de saneringsplannen. Alleen het ABVV van Stroobant bleef de afdankingen afwijzen. Heel de periode hebben wij, samen met de andere kameraden van de PVDA de mensen ingelicht, opgeroepen, moed gegeven. We hebben samen studiewerk gemaakt over de ontwikkelingen in de scheepsbouw. We hebben in pamfletten, in ons weekblad Solidair, in gesprekken de mensen opgeroepen in verzet te gaan. We hebben uitgelegd dat alleen radicale en consequente eisen perspectief kunnen bieden.

In een interview in Solidair werden mijn ideeën als volgt samengevat:

‘De arbeiders hebben het recht om te eisen. Het is ons geld, wij maken de schepen. Door ons werden de werf en de familie Boel groot. Wij eisen werk, geen afdankingen, een 32-urenweek en pensioen op 55 jaar met nieuwe aanwervingen van jonge mensen. De mensen zijn het beu om op hun buik te liggen, om op de koop toe hun geld aan de rijken te geven. Als je de mannen bij mekaar kon brengen, hen uitleggen hoe die miljarden, in handen van de arbeiders, zouden dienen voor zinvol werk, voor de behoeften van het volk en niet van een kleine klasse, ... Ze zouden er nieuwe energie en enthousiasme uit putten. Ik weet dat ze ons die rijkdommen niet vanzelf zullen geven. Zij hebben de staat, de rijkswacht. Wij zullen inzicht nodig hebben, een goede partij en radicale mensen. We zullen het hen moeten afnemen, hoe eigenaardig het ook klinkt: afnemen wat van ons is. We zullen moeten opstaan want smekend vragen en bedelen, dat is de weg van de slaaf, niet van de arbeider. Door te knielen hebben we nog niets gekregen. Denk maar eens goed na over hun slogan: ‘Er zijn schepen te veel, de scheepsbouw moet afslanken’. Overvloed veroorzaakt ellende. Dat is de zin van het kapitalisme. Er is al te veel geproduceerd, dus moeten we inleveren en armoede aanvaarden. Ik zeg dat er niets te veel is. We moeten nog veel meer produceren willen we aan de nood van de wereldbevolking voldoen. Er is maar één zaak te veel: het kapitalisme. Met wat ik vandaag meemaak, raak ik er meer en meer van overtuigd dat, als het werkende volk wil leven, dat dan het kapitalisme moet sterven. Dat is ons alternatief: de rijken moeten de crisis betalen.’

En tot slot nog een detail: als je op brugpensioen gaat op Boel, heb je recht op een afscheidspremie van 5000 fr. Ik heb die nooit gekregen. Ik vind dat niet erg. Ik zit er niet op te wachten. Maar wat wel erg is: de personeelsdirecteur heeft met dat geld schoensmeer gekocht om zijn zwarte botten te kuisen. Ik zou willen voorstellen dat hij er vijf aandelen voor De Morgen [Toen een links dagblad, opvolger van het failliete sociaaldemocratische Vooruit — MIA] mee koopt. Zij die toch zo voor ‘Vrijheid, Vooruitgang en Onafhankelijkheid’ zijn.

III. Van strijdsyndicalist tot marxist - Boven

‘Het marxisme is meer dan een uitnodiging geworden.
Voor ieder die een oplossing wil zoeken, voor de donkere tunnel zonder eind, waarin het kapitalisme de mensheid heeft gebracht.’

13. Het kapitalisme biedt geen oplossing - Boven

Eens begint een mens te mijmeren, de zaken te overwegen, op basis van zijn ervaringen, zijn studie, zijn kennis. Wat is er toch allemaal gebeurd? Hoe moet het nu verder?

Eén zaak stond mij heel duidelijk voor: handen en geest van de werkende mensen hebben een leefbare wereld kunnen maken. Dank zij die handen en die geest is er vooruitgang, is er ontwikkeling, ja zelfs rijkdom. Maar rijkdom voor wie? Dat voel ik aan als het grootste drama. Rijkdom, vooruitgang, maar voor wie? Komt dit alles ten goede aan ons allen? Of wordt het geroofd door enkelingen? Als ik daaraan denk, aan die roof door enkelingen, dan zie ik altijd twee mensen voor me: André Leysen, voorzitter van het VBO en Saverijs, mijn eigen baas: die twee figuren betekenen niet eens zoveel binnen het kapitalisme op wereldvlak. Maar toch.

Neem nu Leysen. SP-parlementslid De Batselier doet in 1986 een interpellatie over het feit dat Leysen een operatie uitvoert om zijn rijkdom te verdelen onder zijn kinderen, nog voor hij sterft. Zo zal hij nooit erfenisrechten moeten betalen. Dat betekent dat hij miljoenen erfenisrechten ontduikt. Maar dat is legaal. Het mag. Er komen echter wel een aantal dingen bij kijken die op het randje van het wettelijke zijn. Want de staat participeert in de holding van Leysen. Met andere woorden: de Nationale Investeringsmaatschappij is bij heel die operatie betrokken. Ze kunnen Leysen niet pakken als individu. Hij heeft zogenaamd het recht zijn geld te verdelen onder zijn kinderen voor hij sterft. Maar de staat, als participant, deelt mee uit. Er komt een hele rel in de pers en Leysen daagt De Batselier voor het gerecht. Tv-journalist Van Rompaey haalt de twee voor de camera. Op het einde van het gesprek raakt Leysen in paniek, trekt hij aan de noodrem en zegt: ‘Het is mijn geld. Ik heb er eerlijk voor gewerkt en ik doe er mee wat ik wil’. Die laatste woorden van Leysen, dat was om in de grond te zinken van schaamte en om er van woede weer uit te komen. Dan wordt het je zwart voor de ogen, dan trilt iedere vezel die je als arbeider in je lijf hebt. En toch, we moeten het toch maar weer ondergaan. Dat is dan de andere kant. Dan denk ik: ‘Wat voor een ongestrafte dief ben jij?’ Hoe durf jij die zin uit te spreken? Het gaat om een bedrag van 450 miljoen. Nu vraag ik je: hoe kan iemand met werken 450 miljoen overhouden om aan de kinderen uit te delen.

En dan figuur nummer 2: Saverijs. Die aan zijn zoon, misschien 30 jaar oud, zo maar een kasteel geeft van 30 miljoen. Die kan dan ook zeggen: ‘Het is mijn geld, ik heb er eerlijk voor gewerkt en ik doe er mee wat ik wil.’ Hoe kan dat allemaal? Hoe kun je, zomaar, 30 miljoen weggeven aan een van je zonen? Hoe is het mogelijk zo’n industriële kasteelheer op de troon te zetten? En dan nog te durven zeggen: ‘Kijk, het is van mij...’ Dan zeg ik: ‘Het is gestolen van de arbeiders’. Die diefstal gebeurt doordat zij de productiemiddelen bezitten. Door het eigendomsrecht en het erfenisrecht dat ze natuurlijk met hand en tand verdedigen. In naam van de vrijheid wordt er geroofd en uitgebuit. Vrijheid voor wie? Vrijheid voor wat?

Daartegenover staat een klasse, met handen, met een geest, die werkt, arbeidt. Die klasse moet zijn arbeid verkopen. Daardoor wordt de arbeid koopwaar. Die buitengewone menselijke creativiteit, nodig om alles te verwezenlijken, wordt plots koopwaar. Dat alleen leidt al tot uitbuiting. Maar uit die arbeid komt meerwaarde voort, door het feit dat er van alles aan toegevoegd wordt. De arbeid geeft immers een meerwaarde aan de dingen. En het is die meerwaarde die door de patroons in hun zakken gestopt wordt. Dat noemen ze: ‘Tja, ik moet toch met winst kunnen werken.’ Je kan stellen dat de werven en de fabrieken het rechtmatige eigendom zijn van de arbeiders. Want wie anders zorgde voor die rijkdom en de kapitalen, waarmee een patroon als Saverijs een imperium kon opbouwen, waarmee hij zijn bedrijf op kon splitsen in nv’s, enzovoort?

Mijn begrip over arbeid is dat die nooit kan dienen om winst te maken. Arbeid kan alleen maar zijn: de grootste creativiteit van een persoon en een volk om in een eerste fase te voorzien in alle elementaire en primaire behoeften. Eens die voldaan, dan kunnen we met ons allen verder, en gelijke tred houden. Daar dient arbeid voor. Niet uit principes van winst en winsten verzamelen. Want dat stoelt op uitbuiting en die winst dient slechts enkelen. Op die manier krijg je hier, binnen dit Westerse denken, binnen dit kapitalistische systeem onvermijdelijk ‘het recht van de sterkste’.

De cowboys werden multinationals - Boven

Als ik daar verder over denk, dan denk ik onwillekeurig aan Reagan. De man die uitpakt met vrijheid, de vrije concurrentie en noem maar op. Maar in feite missen ze die cultuur en blijven het de goudzoekers en cowboys van weleer. De vrije concurrentie is een moordend tuig. Onder het mom van diezelfde vrije concurrentie kunnen ze ons steeds verder doen buigen. De goudzoekers en de cowboys van vroeger zijn nu, onder Reagan, wel wat moderner geworden: het zijn de multinationals en de holdings van nu. Maar in wezen is er niets veranderd. Union Carbide is één van de grootste multinationals van Amerika. Zij zijn verantwoordelijk voor de ramp in Bhopal. Aan die fabriek was niets veilig. En zelfs de schadevergoeding aan de slachtoffers komt er niet. Alleen al over de vraag waar het proces door moet gaan, in India of Amerika, hebben ze het al twee jaar.

Duizenden mensen hebben ze vermoord of verminkt. De natuur hebben ze vernietigd. Neem de multinational Nestlé. In de Derde Wereldlanden maken ze reclame voor melkpoeder. Terwijl de enige oplossing voor de kindersterfte de moedermelk is, lanceren zij de Nestlé poedermelk. Die wordt dan aangelengd met onzuiver en vaak besmet water. Hun grootscheepse campagnes zijn campagnes die de dood in zich dragen. En daarna moeten duizenden gezondheidswerkers komen om de mensen te overtuigen vooral geen melkpoeder te gebruiken. Ondertussen werd de dood al gezaaid.

De cowboys en de goudzoekers hebben het land en het leven van de Indianen kapot gemaakt. De multinationals doen hetzelfde op wereldschaal. Kijk hoe Reagan Nicaragua probeert te wurgen, kijk hoe hij Botha blijft steunen...

In feite is er niet veel veranderd. Alles is alleen meer geconcentreerd en grootser geworden. Het zijn bergen geworden waar je bijna niet meer overheen kunt kijken. En daartegenover zie je de bergen van de miljoenen armen, verstoken van de meest elementaire zaken. Daarom zeg ik: door het kapitalistische systeem worden er honderden miljoenen mensen onvrij, onderdrukt, uitgebuit...

Toen ik 32 jaar was, was ik dermate begaan met de Derde Wereld, dat ik plannen maakte om naar daar te vertrekken als mijn kinderen groot zouden zijn. Ik stelde het me al concreet voor. Mijn vrouw was verpleegster, dus die zou daar goed werk kunnen leveren. Maar vandaag denk ik: menselijke waarden brengen geen fundamentele oplossing voor de werkenden, voor de man in de hut, voor de gefolterde, voor de man die nog miskend wordt en nog als slaaf en loonslaaf door het leven moet. Hoe meer ik ontdek hoe de volkeren in de wereld afzien, al die aangrijpende dingen over Ethiopië op de tv zag, hoe meer ik inzie dat het kapitalisme moet verdwijnen. Neem de Smoggy Mountain rond Manilla, waar 45.000 mensen bovenop de vuilnisbelt wonen, in schamele krotten. Hun leven bestaat er in alles wat bruikbaar is uit de massa vuil te sleuren. Het is een smeulende berg, door het vuilnis, maar ook door het verzet dat er smeult omdat dit niet langer gepikt kan worden. Zo is er voor mij meer dan één reden om dit kapitalisme te verwerpen en er zeker van te zijn dat dit systeem nooit een oplossing zal zijn voor mens en maatschappij. Iedere dag opnieuw willen ze mensen terug oppeppen om dit systeem toch weer aanvaardbaar te maken. Maar dat gaat niet. Hier is het wit of zwart. Hier kan geen grijs zijn. Ofwel zet je u achter dit systeem, ga je dat met hand en tand verdedigen. Dat is dan klaar. Dan ben je een tegenstrever. Ofwel sta je aan onze kant. In deze kwestie kun je maar één kant hebben.

Kun je tegen een deel van het kapitalisme zijn? - Boven

Je ontmoet duizenden mensen die tegen een deelaspect van het kapitalisme zijn. Maar dat kan eigenlijk niet. Je kunt er geen deeltje uit nemen en zeggen: ‘Dat gaan we nu eens gezond maken.’ En zelfs al zou het kunnen, dan bood het nog geen oplossing want miljoenen mensen worden dan weer met een ander deelaspect geconfronteerd. Neem al die deeltjes samen en je kunt niet anders dan tegen het geheel zijn. Een mens heeft altijd veel te maken met zijn gezondheid en met de vraag: hoe kun je gezond blijven? Ik heb veel progressieve mensen gekend, ook in de christelijke beweging, die daarrond zeer goede opvattingen hadden. Ze namen zich dat deeltje van de mens, zijn gezondheid, ter harte. Ze zeggen: ‘In dit systeem wordt de gezondheid verloederd. Al die pillenfabrikanten, die dokters met hun vrij beroep die zeker hun job niet doen maar werken voor het geld, ...’ en zo komen ze tot een aantal ideeën wat er allemaal moet veranderen. Ik heb vaak met die mensen gediscussieerd en gezegd: ‘Dat klopt’. Ik voelde ook hun eerlijke wil om iets te veranderen. Maar toen ook besefte ik al, dat je dat ene, zo belangrijke deel, niet uit een hele logische, kapitalistische productie en denkwijze kunt lichten. Niet alleen omdat de kapitalisten hun zaken nooit zomaar af zullen geven, want het is niet omdat je wat progressief bent dat die mensen hun zaken afgeven of op de loop gaan. Dat hangt samen met al de rest, dat maakt hun ‘zijn’ uit. Dat is ook een wetmatigheid binnen een geheel. Zij controleren alles, zowel de mensen, de natuur als de dieren en ze verloederen alles. Als je rond je kijkt en je ziet wat er allemaal aan de hand is, rampen, vervuiling... Het is een goede zaak daar tegen op te komen. Maar niet zien wat nu precies de oorzaak is van die milieuverloedering, dat is waarschijnlijk de grootste natuurramp van allemaal. Meer en meer mensen lijden honger terwijl er boterbergen vernietigd worden. Honger, terwijl het bewezen is dat er voldoende voedsel is om de wereld te voeden. Daarom zeg ik: dat is één geheel, dat is één kant. Die kant bracht de wereld onderwerping, onvrijheid, oorlog en honger. In de betere landen kwamen, na de welstand, de kruimels. Ook hier zitten we aan de vooravond van de grote duidelijkheid. Het kapitalisme betekent werkloosheid. Kijk naar het half miljoen werklozen bij ons, of naar de drie miljoen in Engeland. Dan zeg ik: het kapitalisme is veroordeeld, het kan geen oplossing bieden. We moeten vechten om het weg te krijgen want vanzelf zal het niet weg gaan. Als arbeider moet je weten aan welke kant je staat. Dikwijls krijg je dan te horen: ‘Ja maar, je moet de andere kant ook eens bekijken’. Ik kan daar niet vaak genoeg op antwoorden: ‘Er is geen andere kant’. Dat moet onvoorwaardelijk zijn: hier is mijn kant, voor die kant vechten wij.

14. Arbeiders en vakbeweging zijn geboren - Boven

Als je al die ervaringen opdoet, die feiten vaststelt - want een feit zo belangrijk, daar kun je niet naast kijken - dan zie je hoe uit die tegenstelling iets geboren wordt. Er werd een klasse uit geboren. En die klasse heeft een naam. Het zijn arbeiders. Waar er uitbuiting is, is er verzet. De arbeiders kwamen in opstand, eerst individueel en blind. Ze zagen dat ze het alleen en persoonlijk niet konden. Het personalistische, daar konden ze niet mee op weg. Als persoon werden ze dood geknepen, onder de voet gelopen, verketterd zelfs. Dat wisten de mensen. Als wij hier iets aan willen veranderen, aan die grote tegenstelling, dat onrecht, die uitbuiting, dan moeten we met velen zijn. Zo ontdekten de arbeiders hun eenheid én het besef dat ze de productie stil konden leggen en de patroon treffen. Die eenheid, die massa is er gekomen in organisaties, in vakbonden. Dat was zeer belangrijk. Die massaorganisatie was er nodig en is nog altijd nodig, willen we iets kunnen wijzigen bij onze tegenstrever. De eerste Europese vakbonden stonden op het juiste standpunt: ze bevochten het kapitalisme en de gevolgen ervan voor de arbeiders. Ze namen veel risico’s, ze vreesden de repressie niet, ze waren integer. We moeten vaststellen dat, eens de vakbonden groter werden en uitdeinden, ze ook ten prooi gevallen zijn aan een verdelingsmechanisme. Ik zie dat als een gebrek, een gemis. Een mens wil één zijn, niet verdeeld. Ze wisten, zeker bij de tegenstrever, dat ze tegen de eenheid van de arbeiders nooit op zouden kunnen. Dat ze bijgevolg systemen moesten bedenken om ons te verdelen. Vandaar dat ik, en velen met mij, heel goed begrijpen wat dat betekent: verdeel en heers.

Een uitnodiging - Boven

Als je het allemaal eens op een rijtje zet, dan zie je de verschillende vakbonden, van geel over rood tot blauw. Dan zie je het opduiken van nog meer kaderverenigingen. Dan zie je het leger van werklozen die een aparte groep vormen die bijna afgeschreven is binnen de eigen werking, die niet betrokken wordt bij hun eigen lot, maar ook niet bij de problemen van de werkenden. En dan de opsplitsing tussen arbeiders en bedienden, helemaal wettelijk geregeld. Dat doet mij wat denken aan die zotte opsplitsing van christelijke inspiratie, tussen lichaam en ziel. Nog zo een van die uitvindingen om de mensen te verdelen. Alsof je een mens zou kunnen verdelen, verticaal of horizontaal en dan zou kunnen zeggen: dit is zijn geest en dat zijn zijn handen.

Uit ervaring weet je goed genoeg hoe een mens een geheel vormt. Als ik aan het timmeren was en ik hield er mijn geest niet bij, dan stonden mijn handen vol blauwe plekken. Of als je aan het zagen bent met een machine en je houdt er je geest niet bij, dan zaag je dingen af die je beter niet afzaagt. Dan zou je jezelf verminken. Heel eenvoudige voorbeelden, maar ze tonen hoe die opsplitsing tussen handen en geest niet kan. En toch hebben ze ze gemaakt. Dat allemaal is het verdelingsmechanisme dat sterk heeft gewerkt, ook binnen de vakbond. Er is dan nog de opsplitsing tussen de centrales. Iedereen denkt op den duur dat ze een apart groepje vormen. Dat moeten ze volgens mij herdenken. Ik leef niet alleen vandaag, maar ook voor de toekomst.

Structuurhervormingen wil volgens mij precies zeggen: dat alles ‘herdenken’. Dat is een noodzaak om te vechten tegen de tegenstrever. Als je een actie voert en je voelt aan de lijve hoe die verdeeldheid inwerkt op de actie, dan wil je een eenheidsvakbond. Wel, ik pleit voor de grootst mogelijke eenheid. Ik pleit er voor dat er een grote morele kracht is, ook van boven in die vakbond, om wat in eenheid moet gebeuren tegenover een patroon, tegenover het kapitalisme, ook in eenheid plaats zou vinden. Ik ga ervan uit dat eenheid, ook op een bedrijf, altijd al ons grootste wapen geweest is. Om te kunnen winnen, hebben we geen ander wapen. In die zin pleit ik voor eenheid.

Problemen oplossen - Boven

Ik wil niet nog eens een opsomming maken van alle negatieve punten maar wél een aantal dingen aangeven die hun belang hebben voor de toekomst. Ik wil geen klaagmuur zijn waar iedereen zijn kritiek kan spuien. Nochtans ben ik door de nationale ACV-leiding zelf uit mijn functie ontzet. Misschien precies daarom wil ik geen klaagmuur zijn. Het zijn maar enkelingen, zonderlinge elementen in de vakbeweging die onze werking hebben ontmanteld. Als ik over de vakbeweging spreek, over haar toekomst, dan spreek ik over ons zelf: de arbeiders, de militanten, de délégués, de rechtgeaarde leiders, die soms wel verkeerde standpunten hebben. Dat is de vakbeweging voor mij. Niet het paar mensen die zich in mijn geval leenden tot waterdrager van de economische macht. Ten tweede ben ik positief omdat onze tegenstrever alles doet om de vakbeweging te ondermijnen en zelfs uit te schakelen. Het opbouwende werk om de vakbondswerking op alle terreinen en niveaus te verbeteren is de enige dam die daar tegenover kan en zal stand houden. Een derde reden waarom ik geen klaagmuur wens te zijn is dat wij, de vakbeweging, heel goed weten dat de écht verkeerde stellingen binnen de beweging maar door een paar mensen uitgedacht werden. Met andere woorden: de vakbeweging, dat zijn wij allen, de arbeiders, de syndicalisten, de strijdsyndicalisten. Dat heb ik als uitgangspunt genomen in het verleden. Dat doe ik vandaag als ik mijn kameraden syndicalisten oproep om dit grote debat over de veranderingen binnen de vakbond aan te gaan. Er moeten vele problemen opgelost worden binnen de vakbond. En die eenheid is er een van. Daar zal elke syndicalist het over eens zijn. Ik wil een uitnodiging doen aan zoveel mogelijk syndicalisten om samen, in een collectieve werking, ernstig na te denken over de zaken die zijn scheef gegroeid binnen de vakbeweging. Ons bezinnen. Welke veranderingen hebben we allemaal nodig om terug een échte vakbeweging te maken? Vanuit die vakbond die als massabeweging een fundamentele noodzaak is. Met dit boek wens ik bij te dragen tot de verandering, maar vooral één grote uitnodiging richten tot de honderden arbeiders, militanten, délégués, hoofddélégués en ook secretarissen van de vakbeweging om samen aan die verandering te werken. We moeten voor ogen houden welke middelen er nu reeds voor handen zijn om verandering in de praktijk om te zetten. We moeten dit groots, maar dringend debat, dat verstrekkende gevolgen zal hebben voor de arbeidersstrijd, aanpakken.

Antwoorden op de technologische revolutie - Boven

Een andere belangrijke zaak, een belangrijke opgave voor de toekomst van de vakbeweging, is de noodzaak om een antwoord te formuleren op de ontwikkeling van de technologie, de automatisering, de toepassing van alle moderne technieken in de industrie. Het automatiseringsproces gaat zo snel. Voor een arbeider is het bijna niet meer te vatten. Het gebeurt ver van ons af. Hoe kan die wetenschap in ons voordeel gebruikt worden en niet om ons extra te belasten of ons te ontslaan? Op die vraag hebben we tot nu toe maar weinig antwoord gevonden.

De automatisering zal leiden tot een belangrijke wijziging in ons arbeidsstelsel. Uiteindelijk zullen er zich binnen onze klasse drie groepen vormen. Vooreerst de contractuele arbeiders. Arbeiders die goed betaald zullen worden, die misschien een contract krijgen voor het leven. Ze zullen goed omkaderd worden en bij veel zaken betrokken. Ze zullen ook veel voordelen en faciliteiten hebben. Dat zal een eerste, maar heel kleine groep zijn. Als tweede groep zullen we de dagloners hebben. Het woord ‘dagloner’ moet ik zeker niet verklaren. We hebben ze tientallen jaren geleden gekend. Nu gaan we terug tot die periode. En dan de derde, de grootste groep: de werklozen. Of we dat nu willen of niet maar onder het kapitalisme zal deze trend zich verder zetten. En hier komen we terug bij de vakbeweging. Ik vind dat onze beweging, de vakbondsleiders op kop, een grote verantwoordelijkheid hebben om bij al die vernieuwingen op tijd wakker te worden. Nu, en niet straks als het te laat is. Hier is voor de vakbondsleiding een grote taak weggelegd. Om rond die automatisering en die snelle technologische evolutie opleiding, discussie en vorming te organiseren. De vakbeweging mag zich niet alleen beschouwen en uitbouwen als een goede dienstverlening aan de arbeiders. Ik ben lang genoeg syndicalist geweest om te beseffen hoe essentieel die dienstverlening voor het dagelijkse arbeidersleven wel is. Maar dat is zeker niet alles: de vakbeweging is geen dienstbetoon of geschenkenbeurs.

Een vakbond voor de klassenstrijd - Boven

Ik denk dat de ideeën binnen de vakbeweging gestoeld moeten zijn op een opvatting over mens en maatschappij. Te veel van onze vakbondsleiders geloven nog in de sociale vrede als ‘heilige koe’. Niet allemaal, maar er zijn er toch echt te veel die dat model aankleven. Daarbij zien ze het onderhandelen en het overleg als een ander soort heilig gebeuren. Natuurlijk krijg je dan standpunten als: ‘Pas op voor het conflictmodel.’ ‘Je kunt toch niet altijd vechten want de tegenstrever is veel te machtig.’ ‘Geen actie om de actie.’ Terwijl er veel te weinig vakbondsactie is. In feite zijn het allemaal stellingen die het verzet en vooral het spontane vakbondsverzet de kop indrukken. Het gaat er bij deze vakbondsleiders niet alleen om dat ze de actie minimaliseren of bekritiseren. Het gaat er in essentie om dat ze niet fundamenteel tegen het kapitalisme zijn, antikapitalist zijn, maar een tussenpositie innemen. Voor hen is het onmogelijk dit systeem te veranderen of omver te krijgen. En dus proberen ze er zoveel mogelijk uit te halen voor de werkende klasse op een vriendelijke en waardige manier. Vaak hoor je: ‘Het vergif zit hem in de staart’. In de vakbeweging zien we soms net het tegenovergestelde. Het vergif zit hem hier soms in de kop, niet in de staart. In de gedachten van sommige leiders sluipt soms vergif. De arbeiders, de ‘staart’, die zijn bewust, die hebben genoeg ervaring. Die hebben alleen maar een goede leiding nodig.

Ik zou durven stellen dat verscheidene vakbondsleiders terug naar school moeten, dringend. Ze moeten een omscholing krijgen om die opvattingen over mens en maatschappij opnieuw aan leren. Ze moeten er van af om steeds binnen dat kapitalistische systeem te denken. Om binnen de grenzen ervan te blijven denken.

De zakmesjes en de olifant - Boven

Lang geleden zei een vakbondsleider mij eens: ‘Ik begrijp jullie allemaal wel maar met een zakmesje kun je toch geen olifant vellen!’ Ik antwoordde hem: ‘Ik denk dat je daar gelijk hebt. Maar één ding weet ik ook: als wij met onze miljoenen allemaal ons zakmes boven halen, dan is diezelfde olifant er aan. Iedereen zijn mes, vriend, en het is gebeurd.’ Het is de verzoening met het kapitalisme die sommige van onze vakbondsleiders het lef ontneemt, het geloof ook, om samen met de arbeiders op te trekken en te vechten. Het brengt hen er soms toe — en dat soms wordt wel eens dikwijls - de spontane strijd van de arbeiders te negeren of hem zelfs de kop in te drukken. Omdat zij zich al verzoend hebben met dit systeem en niet meer antikapitalistisch zijn, zweren ze bij het ‘overleg’, de ‘sociale vrede’, gaan ze onderhandelen tot ze er bij stikken en neervallen. Geen conflict, mannen, we zijn toch geen vakbond van het conflict. We willen voor de mensen wat doen op een vriendelijke manier, met dienstbetoon. Het gaat soms zo ver dat men zich tegen de spontane strijd keert, want men is bang.

Die verkeerde ideeën, waar te veel van onze vakbondsleiders mee rond lopen, zullen wij blijven contesteren. We moeten er met zo veel mogelijk syndicalisten aan werken om deze opvattingen te veranderen. Ik besef heel goed dat het er bij sommigen heel diep in zit. Onze leiders moeten terug op de juiste standpunten komen en daar moeten de basisgedéléguérden op de eerste plaats aan werken, steunend op mensen binnen het apparaat die wel voor een antikapitalistische opstelling te vinden zijn of deze opstelling toelaten.

Ideologische beschouwingen en schone principes - Boven

Door het feit dat je een arbeider bent, ben je ook een deel van de vakbond. Door de arbeiders bestaat de beweging, het is hun verzetsorganisatie. Als arbeider kom je midden in een discussie terecht over ‘reformisme en antikapitalisme’. De middelen, de organisatie, al die elementen zijn aanwezig om serieus werk te doen. Maar de juiste ideeën ontbreken. Ik heb vroeger vaak genoeg gehoord: ‘Met ideologische beschouwingen en schone principes komen we geen stap verder.’ Ik heb het tientallen keren gehoord en even vaak geantwoord dat het tegendeel waar is. Eerst moet je een levensbeschouwing, een maatschappijopvatting en principes hebben. Dan pas kan je weten welke weg je op moet gaan. De opdracht is om steeds te weten waarvoor je vecht, waarom je actie voert. De mensen die dit afdoen als ‘principes en beschouwingen brengen ons niets verder’ zijn jammer genoeg mensen die hun principes op de helling hebben gezet. Dat te veranderen is een taak waar vandaag aan gewerkt moet worden.

De schuldtheorie naar onder toe - Boven

Er is een zaak die al veel kwaad gesticht heeft. Sommige leiders die zich niet antikapitalistisch opstellen, de arbeiders die wél tegen dit systeem gekant zijn: niet zelden gebeurt het dat leiding en basis op een verschillende golflengte zitten. Als je met een groep arbeiders in actie gaat, bijvoorbeeld tegen afdankingen, dan komt daar soms een vakbondsleider die zegt: ‘Je moet toch ook eens de andere kant zien. Het is nu eenmaal crisis. Er is gewoon geen werk’. Dan staat die arbeidersgroep daar. Ontgoocheld. In de steek gelaten door diegenen die hen moeten vertegenwoordigen en die het laten afweten. Dat kan verder gaan. Het kan gebeuren dat die arbeidersgroep dat niet neemt, toch in actie gaat in de stille hoop dat hun leiding hen dan toch zal steunen. Als de leiding hen dan niet erkent, wordt het een spontane actie. Dat heeft al tot drama’s geleid. De arbeiders vertrouwen de leiding niet meer, ze voelen zich verkocht. En dat gaat diep.

Een vakbond met een hart - Boven

Hoe vaak hoor je een arbeider niet zeggen: ‘Ze hebben ons verkocht.’ Achter deze woorden zit een ernstige verklaring, die je bijna deskundig en wetenschappelijk uit kunt leggen. Op zo’n ogenblik is het noodzakelijk dat een verkozene, een militant, een délégué luistert, dat hij zich bewust is van het feit dat de arbeiders een echte vakbeweging willen. Je moet, achter al die opmerkingen, de strijdwil van de arbeiders terug kunnen vinden. Daar moet een délégué hard op werken. Anders kan hij niet met de arbeiders op stap gaan, zal hij ze al snel afschrijven. Dat is weer eens de ‘schuldtheorie naar onder’. Een vakbondsleider die durft te zeggen dat de arbeiders vandaag de dag niet meer willen strijden. In plaats van te onderzoeken wat er vroeger allemaal in de fabriek gebeurd is. Niet zelden is een spontane actie van de arbeiders niet gesteund. En een jaar later voert de vakbeweging op nationaal vlak onderhandelingen met de patroons en neemt ze daar wel een juist standpunt in. Die keer komt de juiste visie van de leiding. Dan zijn er bedrijven waar een deel van de arbeiders zegt: ‘Als het hen past, mogen we staken. Maar toen wij wilden staken, toen kon het niet.’ En zo ontstaat het standpunt bij een groep vakbondsleiders dat ‘de basis niet mee wil’. Ik vind dat ongehoord. Het is precies omdat die bepaalde arbeidersgroep niet kon zijn zoals ze wilde zijn, dat ze protesteren. Het is precies dat ze eerst niet mochten staken, dat ze nu verbitterd raken. Het kan best dat de arbeiders dit alles zelf niet zo goed inzien. Maar een militant, een délégué, die moet dat verdorie goed weten. Vooreerst, om de arbeiders te kunnen begrijpen in hun taal. Ten tweede, omdat hij als basismilitant daar meer over kan zeggen, want hij vervult een begeleidende, een opleidende en vormende taak. Hij moet er zich in bekwamen om al de achtergronden van deze kwestie te kennen, want dat is leiding geven in de echte zin van het woord. Hij moet niet klagen maar onderzoeken en leiding geven. Daarvoor werd hij gekozen. De arbeiders willen verkozenen en leiders die echt met hen op stap gaan, door dik en dun, die er altijd zijn. Die geen angst voor het volk hebben maar er op vertrouwen en bouwen. Ook daarin ben ik positief naar de toekomst toe.

Terug naar de oorsprong - Boven

We hebben in het verleden soms mee moeten maken dat de meest strijdbare vakbondswerkingen werden verguisd in plaats van gesteund. Als de vakbeweging terug op een serieus klassenstandpunt staat, zal die leiding beseffen dat het precies die meest strijdbare kernen zijn die de ruggengraat van de beweging vormen, de steunpilaren voor consequente leiders. De meest strijdbare kernen zijn telkens weer op het appel in de verdediging van elk vakbondsidee en principe. Ik geloof dat we terug naar een tijd komen waar die kernen aangemoedigd zullen worden in plaats van te worden afgeschoten onder de zware druk van het patronaat. Want zo is het toch. Als men vanuit de leiding een strijdbare kern in de steek laat dan is dat onder ongelooflijke druk van het patronaat. De dag dat de hele vakbeweging opnieuw beseft dat wij maar één kant hebben, dat er geen tussenpositie bestaat, die dag zal ook een totale democratie binnen de vakbeweging mogelijk zijn. In die dag geloof ik, daar nodig ik elke militant, arbeider en délégué voor uit. We moeten alle palen weghalen van de hindernispiste die daar naar toe leidt. Die piste is lang, maar het is te doen. Het is een collectieve opdracht, om dl die hindernissen uit de weg te ruimen. Dan zullen we terug een echte vakbeweging hebben, met principes, met een leiding, goede structuren en een strijdbare basis. De vakbeweging moet terug naar zijn oorsprong. Die vakbeweging moet opnieuw geboren worden. Het zijn beelden die ik gebruik om duidelijk te maken dat de vakbeweging zichzelf terug moet herkennen, opnieuw trots moet worden dat men de arbeidersklasse vertegenwoordigt. Wij, arbeiders, willen samen dat andere: het socialisme, het échte socialisme. De dag dat de vakbeweging op dat standpunt staat, is de zaak herboren en terug aan zijn oorsprong. Dan zal men staking en actie anders bekijken. Omdat men als antikapitalist dan zal strijden in het besef dat elke actie, elke staking, een vooruitgang kan betekenen in het bewustzijn van steeds meer arbeiders. Men zal weten dat een arbeider eigenlijk altijd wint, omdat hij niets te verliezen heeft. En ook hier worden sommige vakbondsleiders soms zwaar onder druk gezet met de kapitalistische standpunten. Er zijn bijvoorbeeld van die patroons die durven beweren dat zij een lijst kunnen samenstellen met bedrijven die ‘kapot zijn gestaakt’. Als arbeidersbeweging hebben wij daar een andere kijk op. Wij kunnen integendeel een lijst samenstellen van bedrijven die zijn leeggeroofd om daarna over kop te gaan door fraude of slecht beleid. Dat is een ongelooflijk verschil. Maar de tweede opvatting is de dagelijkse realiteit voor de werkende klasse. Het kapitalisme rooft de bedrijven leeg om ze daarna te sluiten. Stakingen en verzet kunnen er integendeel net voor zorgen dat die bedrijven wat langer openblijven. Ze kunnen er in ieder geval voor zorgen dat de arbeiders niet als makke lammeren naar de doplokalen worden gevoerd. Wat heeft een arbeider te verliezen binnen dit systeem? Dat zullen vele vakbondsleiders terug inzien. Dan zal men het gevecht opnieuw aandurven. Omdat men er opnieuw in gelooft dat het kapitalisme veroordeeld is en geen antwoord geeft voor de maatschappij van vandaag. Het besef zal terugkomen dat elke staking een training is, eens ‘een schop omkeren’, maar dat de hele akker omgeploegd moet worden. Wij leven midden in een crisis van het kapitalisme over heel de wereld. Die crisis zal er voor zorgen dat velen van onze leiders terug naar die ene kant, de arbeiderskant gedreven zullen worden. Willens nillens. Er valt immers niets meer te rapen, de kruimels zijn lang geleden al uitgedeeld. Zo zie ik dat voor de toekomst: door het systeem zelf, maar vooral door het werk van de arbeiders en de délégués aan de basis gaan onze leiders terug op een serieus arbeidersstandpunt komen. Ik heb daar geen naïeve gedachten over.

Ongetwijfeld zullen er een kleine groep onverbeterlijke vakbondsleiders overblijven die dat niet zullen doen. Maar die zullen dan ook kleur moeten bekennen tegenover tienduizenden arbeiders. Dan is dat ook duidelijk, dan weten wij als arbeider ook wat we aan hen hebben.

15. Wat kan men in de klassenstrijd leren? - Boven

Misschien stellen sommigen zich de vraag: ‘Is die man niet wat al te zeker over de vakbondsbasis, over de arbeider aan de basis. Is het niet allemaal wat mooi voorgesteld?’ Na meer dan 30 jaar vakbondswerk, moet ik de vaststelling doen, dat ik zelf meestal verrast werd door die arbeider aan de basis. Zeker in die maanden durende staking tegen de afdankingen in ’81. Maar ook bij de kleinste acties. Het is onvoorstelbaar wat een potentieel aan denkvermogen, aan verscheidenheid er aanwezig is in de arbeidersgroep. Of het nu bij een staking is, een actie, de lock-out, steeds kwam die ongelooflijke creativiteit naar boven, eens de arbeidersgroep zijn angst, zijn onmacht en woede heeft omgezet in actie en verzet. In een staking wordt een arbeider in een andere positie gedwongen tegenover de patroon. Ik heb arbeiders tijdens een staking het woord zien nemen tegen de baas, terwijl hij dat in een normale periode nooit zou doen. Zo’n man is dan zo diep bewogen, de uitbuiting heeft zo diep gesneden. Anders had hij nooit zo’n glashelder betoog kunnen geven. Ik ben zelf niet zo geschikt om veel papieren te klasseren, om goed te noteren tijdens een vergadering, om een secretariaat open te houden. Telkens weer komen er arbeiders onder een actie naar je toe die zeggen: ‘Dat wil ik best doen’. Ik schaam me niet te zeggen dat we met onze militantengroep altijd positief verrast werden over de creativiteit en de inzet van onze arbeiders. Als dat op Boel zo is, dan zie ik geen enkele reden waarom dat op andere plaatsen ook niet zo zou zijn. Zo ook met radio Solidariteit. We wilden met die radio onze eigen mensen op de hoogte houden. De mannen die dat ineen gestoken hebben, pakten dat zeer goed aan. Uit die Boelgroep kwamen ‘journalisten’ naar voor. Radio Solidariteit was eerst kwaliteit. Uit al die keren dat ik zo positief verrast werd door de arbeiders, besluit ik: dat is nu in het klein, met 2.000 man en hun gezinnen. Maar als je dat op grotere schaal bekijkt, dan geloof ik dat in die arbeidersklasse alles aanwezig is om een maatschappij te besturen. Daar ben ik 100 % van overtuigd. Meer nog. Ze zullen het beter besturen als vandaag gebeurt. Het zal beter zijn omdat er andere principes achter zullen steken dan bij diegenen die vandaag de macht hebben. Daar geloof ik in: niet alleen in die afzonderlijke mens, maar in het collectieve. In de een die de andere aanvult en zo een gehele klasse wordt, die bekwaam is om een maatschappij te leiden.

Verzet maakt vrij - Boven

In de arbeidersgroep zitten drie componenten: angst, machteloosheid en woede. De eerste stap moet zijn: je angst overwinnen, je vrij vechten. De angst moet gekeerd worden tot durf, de onwetendheid naar weten. Ik denk dat het klassebewustzijn van een arbeidersgroep niet kan verhogen als er niets gebeurt. Als er iets revolteert bij de klasse, als er iets in opstand komt, dan ben je verplicht om dieper na te denken dan in het gewone, dagelijkse leven. Je bent ontvankelijker omdat je in een actie en zelfs in een noodsituatie zit. Ontvankelijker voor ideeën en begrippen. Zo leer je uit de feiten en het klassenbewustzijn gaat er op vooruit. Als de situatie opstandig en moeilijk is, dan moet iedereen zich al vragen: ‘Wat denk ik erover?’ Want van buiten de werf zal die vraag hem gesteld worden en dan moet hij kunnen antwoorden. Dat klassenbewustzijn groeit zo bij iedere actie, als je geconfronteerd wordt met feiten en moeilijkheden die je niet individueel op kunt lossen. Dan besef je dat de enige oplossing ligt in een collectief gebeuren.

Die twee zaken zijn van belang: iedereen die zich bekent én het besef dat men zich collectief op moet stellen. Ook voor de agitatie, zoals men dat noemt, zijn die twee zaken van belang. Ze drijven het bewustzijnspeil van de mensen naar omhoog. De feiten die gebeurd zijn op Boel en het geluk dat elke arbeider gekend heeft om dat alles te mogen meemaken. Ik geloof er 100 % in dat dat de graad van bewustzijn verhoogd heeft. In sommige andere bedrijven stel je vast dat je de arbeiders veel minder bij kunt brengen, precies omdat alles er veel rustiger verloopt. Zonder de feiten, zonder de acties, kun je moeilijk tot dat klassenbewustzijn komen. Ik zou zelf niet bezig zijn met wat ik nu doe, als ik die school van de klassenstrijd geen 30 jaar lang doorlopen had.

De revue van de machten - Boven

Ik zie de revue van de machten, die we als arbeider allemaal tegen ons op zien treden, voor mij passeren. Onze strijd begint als een strijd tussen baas en knecht. Als arbeider heb je met je patroon te maken. Maar onderweg hebben we veel meer gezien dan alleen maar de patroon. Tegen wie hebben we het allemaal op moeten nemen? Dat is een tijd een moeilijke zaak geweest voor mij. Er waren een aantal knopen moeilijk te ontwarren. Wie is wie en wat is wat? Daar kwam echter een duidelijke, klare lijn in. De arbeiders hebben als klasse een heel kapitalistisch systeem tegen zich. Wat doe je met dat gegeven als arbeider, als syndicalist met een verantwoordelijkheid tegenover de arbeiders? Iedere syndicalist zal weten waarover ik het hier heb. Ik zie die revue der machten en dan komt de vraag: wat een opgave, is dat wel te doen? Ik wil de feiten die we hebben meegemaakt en mijn bedenkingen daarbij hier aanhalen. En tegelijk een uitnodiging doen: we moeten onze ervaringen bundelen, samen een weg vinden om de arbeidersstrijd zo efficiënt en bewust mogelijk te voeren.

Als arbeider denk je: ik kom in actie tegen mijn patroon, mijn rechtstreekse baas, hij die de fabriek of de werf bezit. OK, ik ga in actie, ik laat me niet altijd uitbuiten. In het begin denk je: als ik maar vaak genoeg in actie ga, en mijn hele klasse doet dit over heel het land en telkens als het nodig is, dan zullen we dat kapitalisme toch wel weg krijgen zeker. Zo begin je er aan. Maar opgepast. Als je een principiële, harde strijd voert voor veiligheid, tegen afdankingen of voor loonsverhoging, dan krijg je met veel meer te maken als met je baas alleen.

De wacht van de rijken - Boven

Je vormt een serieus stakerspiket om de ratten tegen te houden want er is toch stakingsrecht. Er daar verschijnt de rijkswacht. Eerst de rijkswachters van de streek, maar als die niet voldoen, dan staan er een paar honderd bij uit Gent. De ware aard van die mannen zullen wij niet gemakkelijk vergeten. Eerst rustig aan het piket. Je kunt er uren mee praten, niets aan de hand. Het zijn mensen zoals jij en ik. Ze zullen je zelfs vertellen dat hun vader ‘ook een arbeider’ is, dat ze best begrijpen dat je staakt. Maar als het fluitje gaat, dan slaan die mannen voor dood, een vader die arbeider is of niet. ‘Bevel is bevel’. Het is een ervaring waaruit je leert dat je beter niet met hen praat. Elke arbeider zal bij zijn eerste ervaring met de rijkswacht wel denken: ‘Dat komt hier wel in orde. We zijn hier toch niet in Chili’. Of de bedenking maken dat ‘de oorlog voorbij is.’ Maar als de arbeider strijdt, dan blijkt toch dat er een ‘kleine oorlog’ aan de gang is. Dan blijkt dat de patroon een legertje rijkswachters in dienst heeft. Staken wordt dan niet enkel een gevecht tegen de patroon, maar ook tegen zijn wacht: de wacht van de rijken. Dan begin je je vragen te stellen over stellingen als: ‘Er is democratie in onze samenleving. Alleen stopt die democratie aan de poort van de fabrieken’. Wij hebben ondervonden dat dat niet waar is. Als een arbeider opkomt voor zijn recht en voor zijn werk, dan wordt er op geslagen.

De sociale bemiddelaar - Boven

Niet alleen de patroon en de rijkswacht zijn onze tegenstanders. In verschillende stakingen hebben we een sociale bemiddelaar gekend, een ambtenaar van de staat. De staat, het woord is gevallen. Als ik terugdenk aan Rerum Novarum, waarin ze ons voorhielden dat de staat optreedt als een goede huisvader, de staat die geen partij kiest, die begrip voor alle partijen nastreeft, ... Dan hebben wij het toch anders ervaren. In 1971 kregen we voor het eerst met een sociale bemiddelaar te maken. In het begin ben je nog wat naïef daarin. De waakzaamheid tegenover zo’n bemiddelaar is wat kleiner dan tegenover je patroon. Hij heeft ons toen echt bedrogen, precies door het feit dat hij ons liet geloven dat hij onpartijdig was. In de latere actie was die naïviteit dan ook weg. In 1976 heeft de sociale bemiddelaar mij persoonlijk onder druk gezet. Maar ik zou dus niet ingaan op zijn voorstellen. En toen toonde hij zijn ware gelaat. Van de vriendelijke man bleef niets meer over. Hij werd grof en razend omdat ik niets wenste te tekenen zonder de arbeiders erover te hebben geraadpleegd. De staat is partijdig, dat was een van de volgende ervaringen die je opdoet in de klassenstrijd. Ook in de sociale wetgeving moet dat ‘sociaal’ met een korreltje zout genomen worden. Het komt er op neer dat die sociale wetgeving een voortdurend bevechten en beknibbelen is van het stakingsrecht. Patroon, rijkswacht, sociale wetgeving, allemaal tegenmachten. En de revue gaat door.

En dan de Ali’s - Boven

Maar in onze strijd hebben we nog meer meegemaakt. We hebben ondervonden hoe Turkse arbeiders zoveel meer moesten verduren van hun patroons. Zonder rechten zijn zij, de Ali’s. Daar hebben wij zo onze ervaringen mee gehad en we dachten toen: waarom moet men nog eens een meer onderdrukte laag creëren binnen de werkende klasse? De meest verworpenen der aarde als het ware. Het is schandalig hoe de regering daar niets aan doet, hoe de regering de patroons niet straft voor die dubbele diefstal op arbeiders. Is dat de democratie? Waar zijn de mensenrechten? Huizen waar geen Belg in zou willen wonen. Verdachtmakingen over al dat kindergeld en zo meer. Het is niet alleen de VMO die daaraan meedoet. De koppelbazen zijn er even schuldig aan. Ook dat zijn we tegen gekomen in onze strijd. De discriminatie omwille van de huidskleur, ook dat is een verdelingsmechanisme van de baas. En racisme is dus ook een tegenmacht.

Vrouwe Justitia - Boven

Het gerecht: al haar gebouwen en gevangenissen. Als kind en als jonge arbeider wordt het je voorgesteld alsof het gerecht alleen maar dient om boeven te pakken en op te sluiten en zo de bevolking te beschermen. Als arbeider ben je gevoelig aan dat argument. Meer dan wie anders, staat een arbeider op het standpunt dat je je geld en je brood door arbeid moet verdienen. Dieven en schurken, daar dient het gerecht voor. Onze eigen ervaring met het gerecht heeft ons wijzer gemaakt. Vanaf 1981 zijn we met 12 délégués voor de rechtbank moeten verschijnen. We moesten in kortgeding komen en werden verplicht een schokactie stop te zetten. Die rechter willigde de klacht van Saverijs in. Daarna zijn er nog andere gerechtszaken gevolgd. We hebben aan den lijve ondervonden dat vrouwe Justitia haar balans sterk naar rechts doet overslaan. Het duidelijkste voorbeeld was toen Patrick Mertens en Danny Pauwels voor een vakbondsactie opgepakt werden en in de gevangenis gestopt. Opgesloten in afzondering. Alsof ze de grootste dieven en moordenaars waren, mochten ze de eerste uren geen enkel contact hebben met de buitenwereld. Niet met een advocaat, niet met hun vrouw of hun familie. Dat houdt het gerecht in petto voor de werkende klasse. Neem nu onze ex-eerste minister Vanden Boeynants. Een eerste klasse schurk. Veroordeeld, maar slechts voorwaardelijk. Hij heeft nog geen gevangenis van binnen gezien. En hij zal het ook nooit zien. Hij komt er van af met een ‘blaam van de rechter’ en de verwittiging dat hij toch wat minder opvallend moet bedriegen. Dat het toch zo de ogen van de gewone mens niet uit mag steken als hij steelt. Zo sluit het gerecht aan bij de revue van de machten.

‘Onze’ regering - Boven

In 1981 zijn we met onze toenmalige eerste minister Eyskens gaan praten om de zaak van de scheepsbouw te bepleiten. Die man luisterde naar ons, deed alsof hij een en al begrip was. Maar uiteindelijk heeft hij niets voor de arbeiders gedaan. Wat hij wel gedaan heeft, zal ik eens uitleggen. Eyskens, en niet alleen hij, maar alle opeenvolgende regeringen, hebben de miljarden naar Boelpatroon Saverijs doen stromen. Miljarden van het belastingsgeld zijn er naar Saverijs gegaan. Vandaag is het geld op. Gedaan met de miljardendans en met het leegroven van de visput die de werf was. Eerst heeft de regering Saverijs geholpen om zich serieus te verrijken aan de scheepsbouw, om hem daarna, in meer winstgevende sectoren te helpen. En wij, de arbeiders, het volk, dat deze regeringen zogezegd vertegenwoordigen? Wij kunnen onze thermos inruilen voor een dopkaart. Voor het patronaat de miljardendans en voor de arbeiders een dopkaart. Zo is het met de regering gesteld. Dat is kleur bekennen. Dat is duidelijke politieke taal tegen de werkende klasse. En toch? Kiezen wij die regering niet zelf? Vertel toch geen sprookjes over sprookjes. Welke burgerlijke partij er ook aan de macht is, in dit systeem blijft een regering de waterdrager van de economische machten. De beloften en de daden van de regering waren altijd in ons belang. Ze dienden om werk te creëren, om de industrie gezond te maken. Werk voor wie? Er is geen werk want het kapitalisme ontmantelt zichzelf. Als Saverijs de staat heeft leeg geroofd, stopt hij met de scheepsbouw. Zo simpel ligt dat. Dan zeg ik vandaag: we hadden gelijk om de loonstop te verwerpen. En de rij is niet af...

Vijf man in een halfrond: het parlement - Boven

Ook met het parlement hebben we zo onze ervaringen gehad. Met een bus vol Boelarbeiders trokken we naar het parlement. Miet Smet van de CVP zou een interpellatie doen over de scheepsbouw. We hebben daar gezeten, gewacht. Toen Miet Smet eindelijk haar vraag mocht stellen, zat daar nog 5 man te luisteren. Vijf man... over het lot van meer dan 2000 arbeiders en hun gezinnen. Op de terugweg naar St. Niklaas was het in de bus heel wat stiller als toen we vertrokken. Dat is dan de parlementaire democratie: eens de kans geven aan een politieker om ‘een vraag te stellen over zijn of haar streek’. Om op die manier de politieke achterban wat te sussen. ‘Zij kan er toch ook niets aan doen dat daar maar vijf man meer zit’, ik ben er zeker van dat vele arbeidersgroepen in ons land gelijkaardige ervaringen hebben met het parlement.

Radio, tv en pers - Boven

Doet de pers aan objectieve berichtgeving? Laten de media alle partijen die in een staking betrokken zijn evenredig aan het woord? Als er een goede Panorama-uitzending gemaakt wordt, wordt de BRT gedoodverfd als ‘links’ en ‘gemanipuleerd door radicalen’. De pers, de media, ook zij zijn niet onafhankelijk. Daarom hebben we tijdens de staking van ’81 onze eigen radio gehad, en onze eigen film over de staking. Om het arbeidersstandpunt te kunnen laten horen over onze staking en de publieke opinie in lichten over de ware toedracht van onze strijd. Op de markt van Sint Niklaas of Temse kon je al eens de slagers, achter hun kraam, bezig horen tegen de vrouwen van de Boelarbeiders: ‘Wat zal het zijn vandaag? Voor de mannen van Boel weer pensen zeker? Want die staken om het minste, ...’ Wel, het niveau van de berichtgeving over onze strijd was vaak niet hoger als de wijsheid van die slager die zijn biefstuk niet kwijt raakte. Pers en media zijn niet bepaald arbeidersgericht. Ze sluiten aan bij de revue van de machten. Patroon, rijkswacht, sociale wetgeving, gerecht, regering, parlement en pers. Zo is de revue voorbij. En ik stip hier alleen maar aan waar wij ervaringen mee hadden.

Wat doe je nu met dit gegeven? Doe je gewoon verder of sta je er even bij stil? Het heeft mij in elk geval aangezet tot veel nadenken en tot een aantal serieuze en klare conclusies. In de arbeidersstrijd, die begint als een strijd tussen arbeider en patroon, bots je op een waaier van tegenmachten. In die tegenmachten zit een samenhang, dat vormt een apparaat. De ene keer bots je op het ene deel van het apparaat dat de patroon ter zijner beschikking heeft, de andere keer op het andere. Met andere woorden: de arbeiders botsen in de klassenstrijd op de patroons, die de economische macht vormen, maar ook op de staat, die de politieke macht vormt. De staat is een apparaat tegen de werkende klasse. Dat leren inzien is een moeilijke maar belangrijke taak.

Als ik dat allemaal overdenk, die vervlechting tussen patroons en regering, dat begrip ‘staat’, dan weet ik dat dit alles mij heel veel moeilijkheden geleverd heeft. Vooral ook om dit alles op een eenvoudige, overdraagbare manier aan de arbeiders uit te leggen. Die kapitalistische staat moet weg. Dat volgt op een natuurlijke wijze uit al het vorige. Als je met die idee ‘De staat moet vernietigd worden’ afkomt in een strijd, gaat dat sommige arbeiders wel eens boven hun petje. En toch is het de kern van het kapitalisme. ‘De staat’, dat zijn niet de brave ambtenaren in Brussel die op het ministerie van onderwijs zitten en er voor zorgen dat onze kinderen een goede opvoeding krijgen of zorgen voor een goed pensioen voor onze ouders of verantwoordelijk zijn voor het openbaar vervoer. ‘De staat’, dat is het geheel van elementen waarmee de bezittende klasse in ons land de macht uitoefent. De vakbeweging botst in haar strijd op elementen van die staat. Maar is de vakbeweging de aangewezen organisatie om daar het antwoord op te zoeken en te vinden? Ik denk vandaag van niet. Uitpluizen hoe het mechanisme van het kapitalisme in mekaar zit, dat is aan politiek doen. Ik vind dat moeilijk maar uit mijn ervaringen ben ik tot het besluit gekomen dat het een noodzaak is. Dat heeft me trouwens al vele jaren geleden aangetrokken tot de Partij van de Arbeid: het overdrachtelijke uitleggen aan de arbeiders hoe de staat in mekaar zit, en dat die weg moet. Uitleggen dat het kapitaal niet enkel aan uitbuiting doet in de fabriek, de mijn, de werf. Nee, de kapitalist doet aan politiek. Onze democratische welvaartsstaat is een vrijheidsstaat voor de rijken, met democratie voor de ondernemers en de kapitalisten. En die hebben elk zo hun politieke formatie. De ene kapitalist is voor het echte, blauwe en liberale kapitalisme. De andere voor het roomse, nog een ander voor het roze. Ze hebben allemaal een klare politiek, die door verschillende partijen vertegenwoordigd worden.

Antwoorden met een arbeiderspolitiek - Boven

Daar volgt voor mij de klare conclusie uit dat de arbeiders aan politiek moeten doen, en niet zomaar de eerste de beste soort. De arbeiders moeten tegen dat kapitalisme een arbeiderspartij zetten. Met een klare visie over hoe ze naar een andere maatschappij gaan. Welke de opeenvolgende stappen zijn van nu af aan, om tot die strijd voor een andere maatschappij te komen. Dat is aan politiek doen, en daar geloof ik in.

Er moet een partij zijn die dit alles leidt en die kan de arbeidersstrijd en de vakbeweging in die strijd voor een andere maatschappij enthousiasmeren, begeleiden en omkaderen. Want het is niet omdat die partij de politieke strijd moet leiden, dat de vakbeweging niet aan politiek moet doen. Honderden syndicalisten vragen zich af waar de arbeidersstrijd naar toe moet. Daarom vind ik het van zo’n levensgroot belang dat er over vragen die naar de kern van het kapitalisme gaan, gediscussieerd wordt. Ieder met zijn ervaringen en zijn achtergrond. Dit boek wil een bijdrage zijn om dat debat aan te gaan.

Vakbond en partij: twee organisaties, twee niveaus - Boven

Vroeger zag ik de vakbeweging als het enige wat wij, arbeiders, nodig hadden. Met een bewuste massabeweging zouden we het echte socialisme bereiken. Vandaag ken ik de beperkingen van dat denken. De vakbondsstrijd is een verdedigingsstrijd: voor werk, voor betere omstandigheden op het werk. Vaak moesten we strijd voeren omdat de patroon ons aanviel. Niet omdat wij iets eisten. Ze danken af, ze sluiten de fabriek, ze breken ons loon af, ... Als vakbeweging ben je verplicht die handschoen op te nemen en te antwoorden op de aanvallen van de patroon en dus de arbeidersbelangen zo goed mogelijk te verdedigen. Als je zo’n strijd verliest, is dat natuurlijk erg. Ik kon zelf zo van die momenten hebben dat de ontgoocheling me overviel, zoals na die vijf maanden staking tegen de afdankingen. Maar het heeft mij toch nooit zo diep aangevreten dat ik wou afhaken omdat iets verloren was. Ik bekeek de zaak toch enigszins anders, omdat ik vond dat we niets konden verliezen. Omdat ik zeer goed wist dat we de hele akker om moesten ploegen. Die hele akker omleggen, dat doe je met vele tienduizenden arbeiders en werkers. Dat moet een bewuste politieke revolte zijn, met een groot politiek bewustzijn. Dat is naar het definitieve gevecht gaan waarin we zeggen: ‘De oorzaak van al die sluitingen, dat is het systeem zelf, en dat moet weg’. Dat is voor mij de revolutie. Die strijd komt er pas als er duizenden mensen zich politiek bewust zijn van dit systeem. En ook dat gevecht aandurven en de strijd, in de echte zin van het woord. Die strijd, dat is de revolutie en die komt er niet vanzelf maar enkel met de arbeiders met een klaar en volledig politiek bewustzijn. Met een politieke partij die leiding geeft aan dat gevecht en er de middelen voor creëert. Ik veronderstel dat iedereen het met me eens is als ik zeg dat dat een andere strijd is dan morgen de arbeiders oproepen voor het ‘gevecht voor loonsverhoging’. Dat zijn twee duidelijke niveaus van denken en ook van handelen. Zo hebben wij als werkende klasse, zowel een antikapitalistische partij als een antikapitalistische vakbond nodig. Beide vinden hun oorsprong in het bestaan van klassen en in de klassenstrijd van de arbeiders zelf. Mijn besluit uit de arbeidersstrijd is dat wij, arbeiders, aan politiek moeten doen. Ik heb een weg afgelegd om tot deze standpunten te komen. Ik heb de zaken geleerd vanuit de praktijk, niet vanuit de theorie. Ik ben niet van theorie naar praktijk gegaan want dat is ook een weg, een weg die ik zeker niet wens in twijfel te trekken. Maar ik zelf heb alles moeten leren door het klappen van de zweep. Dat is mijn ervaring, mijn wetenschap.

16. Toen leerde ik de PVDA kennen - Boven

Mijn afzetting kwam aan als een ernstige klap. Ik had gemakkelijk kunnen zeggen: ‘Jongens, ik stop met alles. Ik zal jullie nog wel eens goedendag zeggen en ik begrijp jullie. Ik begrijp de strijd want ik heb hem zelf ook steeds gevoerd. Maar voor mij is het mooi geweest, voor mij is dat hoofdstuk van mijn leven voorbij.’

Dat was zeker de gemakkelijkste weg geweest. Wat ze over mij niet allemaal beweerd hebben. Uiteraard om me over de slag heen te helpen. Dat was niet slecht bedoeld. Ik heb allerlei standpunten gehoord. En over sommige heb ik al wat meer nagedacht dan over de andere. Zo zeiden ze me: ‘Man, je brugpensioen komt nu al gauw. Zou je het er eens niet van nemen, eens wat rust nemen, echte rust?’ Ja, dat is een zaak om over na te denken. Ontzet worden uit je mandaat, je brugpensioen krijgen, dat zijn allemaal dingen die aanleiding geven tot het stellen van vragen aan jezelf. Wat nu? Waarnaar toe?

Ik had rustig kunnen zeggen: ‘Mijn taak is af. Ik kan er met blijdschap en trots op terug kijken. Ik ga het nu wat luchtiger aanpakken.’ Maar dat kon ik dus niet. Dat lag niet in mijn aard. De bewogenheid voor de strijd van de arbeiders, voor onze rechtvaardige zaak, dat zat er veel te diep in gebakken. Dat verandert niet, niet met een ontzetting, niet met een brugpensioen. Ik kreeg ook te horen: ‘Man, je hebt nu altijd voor een ander op de bres gestaan en je wordt ervoor afgezet. Ondank is ’s werelds loon.’ Dat was misschien niet zo slecht bedoeld. Maar ik vond het een cynische opmerking. In die redenering kwam het pessimisme en de verbittering boven. En ook dat ligt niet in mijn aard. Ook al besefte ik het niet echt op dat ogenblik, je stelt je op dergelijke momenten toch wel fundamentele vragen. De belangrijkste vraag was voor mij: ‘Wat zal er nu richting geven aan mijn leven?’

Die moeilijke periode door mijn brugpensioen en mijn ontzetting zal ik niet vlug vergeten. Maar erg lang heeft ze toch ook niet geduurd. Vele onbeantwoorde vragen en twijfels overvielen me. Maar één zaak was wel duidelijk: ik zou niet rustig op brugpensioen gaan. Ik vond dat ik nog steeds een maatschappelijke plicht had. Ik heb zoveel zaken mogen beleven met de arbeiders. Ik voelde sterk aan dat ik die ervaringen in binding met vele arbeiders had verworven. Ik vond dat die ervaringen niet alleen aan mezelf toe behoorden. Ik mocht die kennis niet voor mezelf houden. Ik moest die blijven meedelen aan anderen. Dat noem ik een maatschappelijke plicht.

Een onverbreekbare band met de arbeiders - Boven

Of ik nu hoofddélégué was of niet, of als ik op brugpensioen zou gaan, het veranderde uiteindelijk niet zo veel voor de arbeiders die ik al meer dan dertig jaar kende en waar ik een binding mee had. Ze hebben me op alle mogelijke manieren van de arbeiders proberen te isoleren. Ze hebben mijn zuurstof af willen snijden. Maar die zuurstof konden ze me niet lang afnemen. Een hele tijd na mijn afzetting heb ik eens op een algemene vergadering die ik nog mee mocht maken gezegd: ‘Mij afzetten, kameraden, dat kunnen ze doen. Maar mij beletten om te spreken, dat kunnen ze niet. Dat kan niemand tenzij ze me mijn tong uittrekken. Met of zonder mandaat: de band tussen de arbeiders en mezelf, die kunnen ze niet breken, die is er voor de rest van mijn leven. De feiten na mijn afzetting hebben dat volop getoond.’

Ik ben altijd iemand geweest die als leuze voorop stelde: ‘De massa, de basis, moet het doen.’ Maar tegelijk heb ik altijd veel belang gehecht aan leiding. Ik kon steeds vol bewondering luisteren naar mensen. Als ik mensen hoorde praten met kennis van zaken, mensen die het gezag hadden om over een bepaalde zaak te spreken, heeft me dat altijd beroerd en begeesterd. Na mijn afzetting heb ik veel meer tijd genomen om de kameraden van de PVDA te leren kennen. Ik kan niet zonder mensen, en ik kan moeilijk zonder spreken. Ik heb een geweldige nood om mee te delen wat ik voel, het uit te schreeuwen als het moet. En dan graag in confrontatie met anderen. Het spreken, iets verwoorden, dat is steeds een bevrijding voor mij geweest. Door mijn vele contacten met de mensen van de PVDA kon ik mezelf opnieuw uitspreken, vond ik terug die steun.

Na mijn afzetting had ik meer tijd. Als hoofddélégué van het ACV op de werf, had ik de laatste 15 jaar vaak van de ene vergadering naar de andere moeten hollen. Dat hoort er nu eenmaal bij. En we deden dat met overtuiging, daar gaat het niet om. Maar dat bracht met zich mee dat ik vaak tijd te kort had om over sommige kwesties in verband met de strijd na te denken. En die kreeg ik nu wel. Ik had er zeker niet om gevraagd. Dat niet. Ik had het natuurlijk allemaal anders gewild en mijn mandaat verder uitgeoefend zoals de arbeiders dat van mij verlangden. Maar ik kon nu nadenken en dat heb ik dan ook volop gedaan. Lange gesprekken had ik met mijn kameraden van de werf, met syndicalisten van op en van buiten de werf. Maar wat nieuw was, vooral met de mensen van de PVDA. Dat nadenken, die gesprekken, die hebben tot een serieuze nieuwe inzet geleid. Ik was afgezet en ontslagen maar zeker niet verslagen. Zo kon ik van een slechte zaak tenslotte iets goeds maken.

Na zovele jaren praktijk wat kennis opdoen - Boven

Ik ondervond niet alleen steun van de kameraden van de PVDA, maar vooral brachten ze me een aantal zaken bij. Ik ondervond dat mijn eigen kennis wat onvolledig was als ik grondig naar hen luisterde. ‘Bijbrengen, bijleren’, dingen waartegen ik me zo had verzet. Ik die zo tegen dat ‘intellectuele’ was, ik die dacht dat alles in de praktijk te leren viel. Ik zou zeggen, van nature uit, want hoeveel ‘intellectuelen’ staan niet aan de kant van de patroon? Maar met deze intellectuelen zag ik dat het anders lag. Ik voelde sterker aan dat de wetenschap die de PVDA verdedigde mij erg veel te leren had. Leren op een volledigere manier dan dat ik het in de praktijk zou kunnen. Ik besloot een aantal boeken over die wetenschap door te nemen. Dat hebben we dan samen besproken. Ik stelde hierbij twee dingen vast. Vooreerst vond ik mezelf terug in die boeken, in het klein, maar toch. Ik herkende in die boeken situaties waar ikzelf en de Boelarbeiders in gestaan hadden. En ten tweede stelde ik vast hoe je door studie, door een aantal zaken ernstig te bestuderen je ervaringen vervolledigt en verrijkt. Ik herkende veel elementen van mijn eigen praktijk in die boeken maar ik deed ook ontdekkingen. Die wetenschap, dat marxisme, legt duidelijk uit hoe het kapitalistische systeem in mekaar zit, welke machten er allemaal bij betrokken zijn. Ik had veel dingen uit de praktijk geleerd maar nu zag ik het ook weer eens anders. In een veel grotere dimensie. Het was een wereldbeschouwing. Dus niet alleen onze Boelwerf, niet alleen dat kleine stukje land dat België heet. Maar die tegenstelling tussen kapitaal en arbeid groter zien, ook dat vind ik een vorm van bijleren. Meer ingewikkelde zaken heb ik tot nu toe nog niet doorgenomen.

Ik wil dat studeren niet onderschatten, maar het ook niet overschatten. We zijn tot ons 14 jaar naar school geweest. Vele arbeiders lezen niet zo gemakkelijk. Een krant lezen, tot daar aan toe. Een roman leest een arbeider ook al eens. Maar een serieus politiek werk lezen, noteren, onderlijnen, ... Dat gebeurt niet zonder moeite, zonder inspanning. Door het feit dat ik mezelf vaak terug vond in die werkjes, viel het eigenlijk allemaal nog best mee. Ik las Partij en front, De partijopvatting, De revolutionaire moraal en De Bolsjewiek. De eerste drie zijn partijbrochures. De Bolsjewiek is een dik boek dat vertelt over de geschiedenis van de Russische arbeidersstrijd en de revolutie. Ook De linkse stroming, een kinderziekte van het communisme nam ik door. Daar staan allemaal dingen in die een arbeider begrijpt, zonder dat hij daarvoor naar de universiteit had moeten gaan.

De balast over boord gooien - Boven

Ik heb het hier over de dingen die ze allemaal in onze hoofden hebben geprent, de indoctrinatie die ons is te beurt gevallen. En die je zovele jaren met je meesleept. Ieder die zich communist noemde was van laag allooi. Dat waren gangsters, het uitschot van de wereld. Maar bovenal waren dat de goddelozen. Er was bijgevolg geen heiligere plicht dan tegen dat communisme te vechten, het te doden als het moest. Op die manier is mij dat in het hoofd gestampt. Dat was dus het communisme. Maar vandaag heb ik daar een totaal, maar dan ook totaal ander beeld over.

Door een aantal werken van het marxisme te lezen gaan je ogen open voor die indoctrinatie die wij kregen. Die vooroordelen, al die verkeerde opvattingen die moet je kunnen relativeren. Daarna moet je ze werkelijk als balast over boord kieperen. Ook dat is een vorm van leren via de Partij van de Arbeid. Ik las een boekje dat De revolutionaire moraal als titel heeft. Ik was daar aangenaam door verrast. Je leest erin hoe die marxistische wetenschap niet alleen een visie heeft om het kapitalisme door het socialisme te vervangen. Het blijft niet bij een politieke visie. Het marxisme heeft ook een aantal revolutionaire morele principes. Uit het bestuderen van dat boekje besluit ik dat communist zijn de hoogste vorm van mens zijn betekent. Zo solidair, zo’n inzet voor de strijd. Zo’n geloof in de capaciteiten van elke mens die je op de weg van die strijd tegenkomt. Dit zijn enkele van die revolutionaire eigenschappen die een communist dient te hebben als mens. En dat is dus even wat anders dan een ‘bandiet’ of een ‘schurk van laag allooi’. Het enige probleem dat je zou kunnen stellen is: ‘Kan ik dat wel bereiken? Kan ik wel al die revolutionaire waarden verwerven? Is die opgave niet te groot?’

Een partij van woord en daad - Boven

Wat mij, als man van de praktijk, aansprak in de PVDA was, dat ze niet alleen een partij van leren en denken is, maar ook een partij van de daad. Dat vind ik mijn hele leven al erg belangrijk. Er zijn van die salonprogressieven, van die saloncommunisten zelfs, ... wat die allemaal niet gaan uitsteken... in hun dromen. Wat deze partij heeft aan opvattingen, wat ze als wetenschap heeft, dat probeert ze ook in de praktijk om te zetten. En ik denk dat daar de grootste kracht schuilt: eenheid van denken en handelen. En dat met een kleine partij. Geneeskunde voor het Volk, campagne voeren voor De Morgen, een bloedinzameling voor de Palestijnen, ... ga maar door. Men doet iets, men is steeds in de weer, men staat niet langs de kant. En ik kan je verzekeren dat arbeiders daar iets van krijgen, van die partijen die aan de kant blijven staan terwijl de arbeiders strijden. Daarom ben je als activist bij de PVDA aan het juiste adres.

Het einde van de vooroordelen tegen politiek - Boven

Ook het apolitieke was er bij mij ingepompt. Na die eerste contacten met partijkameraden, en na de studie nog meer, zie ik dat elke daad die men tegen de arbeidersklasse stelt een politieke daad is. Vandaag denk ik: van de wieg tot het graf worden we politiek bespeeld, begeleid en gemanipuleerd. Een politieke daad is de arbeiders morgen laten leven met een dop van 13.000 fr., de huishuren verhogen, inleveren, leven en werken onder een volmachtenregering, een loonstop van vier jaar, de mensen zonder werk zetten, ... Dat zijn allemaal politieke daden. Dat is een anti-arbeiderspolitiek, terwijl de rijken steeds rijker worden. Maar niet alleen rond loon en werkomstandigheden is er een anti-arbeiderspolitiek. Neem nu het plaatsen van raketten in ons land. Als arbeider, als syndicalist, ligt de zaak van de vrede ons toch nauw aan het hart. Als men eens bedenkt welk standpunt Swaelen, voorzitter van de CVP (Christelijke Volkspartij) daar rond heeft ingenomen! De rakettenkwestie moet door het parlement goedgekeurd worden en dan gebeurt het. Swaelen verklaart dat alle ACW-parlementsleden in eer en geweten mogen stemmen. Zo probeerde hij nog wat gehoor te vinden bij de progressieve achterban van het ACW. Het is tenslotte niet niets wanneer een half miljoen mensen, waarvan velen met christelijke achtergrond op straat komen in de grootste betoging die sinds de tweede wereldoorlog door de straten trok. Bijgevolg: als de CVP ook maar iets om dat tweede lettertje zou geven dan hadden ze die stem van het volk toen wel gehoord.

Luc Dhoore, die wel tegen de raketten wenste te stemmen mocht zijn eer en geweten vergeten. Hoe zouden ze die man wel niet bewerkt hebben? Want voor de CVP-leiding was het duidelijk: die raketten moesten er komen. De CVP bleek met handen en voeten gebonden te zijn aan de Amerikaanse cowboys van Reagan.

Ook over de vredeskwestie moet een arbeiderspolitiek uitgewerkt worden. Vandaag vind ik dat het streven van arbeiders en werkers op alle vlakken politiek moet vertaald worden. Het kapitalisme leren begrijpen, in al zijn facetten, dat is een van de essentiële redenen waarom de partij me zo aansprak. Er moet en arbeiderspolitiek tegenover de politiek van nu gesteld worden. Daarom moeten alle arbeiders aan politiek doen, anders komen we nooit tot een andere maatschappij.

De deskundigheid van de badmintonspeler - Boven

Een andere maatschappij voorbereiden, stappen zetten in die richting, daar is ongetwijfeld deskundigheid voor nodig. Om het eenvoudig te stellen: het is zoals dat gesprek dat ik had over badminton spelen met mijn zoon. Hij speelt al jaren badminton in de tuin, met vrienden. Hij heeft het uit zichzelf geleerd. Maar hij wil verder gaan en wat stelt hij vast? Doordat hij dat spel zichzelf aangeleerd heeft, neemt hij onvermijdelijk een aantal verkeerde houdingen aan. En hij heeft er moeite mee die te corrigeren. Hij speelt nu in een echte ploeg badminton en de trainer zegt hem nu: ‘Nee man, als je die slag doet, dan moet je been daar staan en niet achteruit.’ Dat is een goed voorbeeld om aan te tonen dat er bij veel dingen deskundigheid hoort. Misschien wat eenvoudig, die badminton maar je kunt het ook vergelijken met een veel grootsere zaak. Als mijn zoon zijn badminton nog beter wil leren, dan zal hij op de eerste plaats die deskundigheid aan moeten nemen en zelf verwerven. En dan zal hij die in de praktijk om moeten zetten. Je kunt hetzelfde zeggen van de partij. Als arbeiders hebben wij veel geleerd vanuit de praktijk. We hebben er veel goede dingen uit geleerd. Maar we hebben er ook een aantal onvolledige dingen uit over gehouden. Misschien rond een aantal zaken verkeerde dingen, verkeerde opvattingen over gehouden. Dan moeten wij als arbeiders ook naar deskundigheid grijpen, en dit geeft ons een partij, een politiek denken. Om ons einddoel als arbeiders te bereiken, om het echte socialisme te bereiken. Die ontdekkingen fascineerden mij. Het zijn mijn eerste gevoelens en ervaringen, mijn eerste bewijsvoeringen, klein misschien, maar het zijn de mijne. Weerstanden die ik heb moeten overwinnen om PVDA-lid te worden waren dus voornamelijk: gaan kennis opdoen en vooroordelen tegenover politiek opruimen was het belangrijkste. Eens al de vooroordelen weg, de ballast over boord gegooid, vaart voor mij het schip die koers, de koers van de marxistische wetenschap en vooral van de praktijk, bekeken vanuit die revolutionaire partij.

Wij hebben een revolutionaire opstelling nodig - Boven

Als arbeider heb je een opvatting nodig over mens en maatschappij. Zeker een syndicalist heeft zo’n opvatting nodig. Ik pleit voor een marxistische visie en opvatting en niet voor een kapitalistische. Ik ben ook niet voor het halfslachtige, voor zoiets tussen de twee, eens naar links, eens naar rechts, eens van de os op de ezel. De vereiste om tot zo’n visie te komen is dat we kennis opdoen, inzichten verwerven; en dat er een kameraadschappelijke steun is onder mekaar. Voor zover ik ervaring heb opgedaan en voor zover mijn inzichten reiken, kan ik zeggen dat ik die opvatting enkel terug vind in de Partij van de Arbeid. Een marxistische opvatting is nodig om niet voortdurend ontgoocheld te worden. Met ontgoochelde mensen kan je niet verder. De ingewikkeldheid van de problemen van vandaag, want niemand zal ontkennen dat het moeilijk is, vereisen dat we een opvatting hebben, dat we ons een eigen mening over de zaken vormen, en dan samen met anderen rond de tafel gaan zitten. Hiervoor is studie nodig, hiervoor is woord en daad nodig.

17. Tot slot - Boven

Zonder de arbeiders was dit boek er niet. Zonder intellect was dit boek er ook niet.

Dat wil zeggen dat er geen tegenstelling is tussen die twee, maar dat het de grootste noodzaak is om die twee samen te laten gaan. In één juiste opvatting, met dezelfde overtuiging en principes, in één doel verenigd.

Onvoorstelbaar veel van mijn gedachten zijn veranderd vergeleken met vroeger. Ik ben trots en dankbaar tegenover de arbeiders en tegenover al wie het mogelijk maakte dat dit boek gemaakt werd. Door mijn ervaring en door de partij, ben ik zeker niet pessimistisch geworden. Dat ligt ook al niet in mijn karakter. De dag dat het pessimisme en het cynisme u overvalt, de dag dat je daarvan de prooi wordt, op die dag is het leven af, voorbij. Dan is het gedaan.

Het geloof, dat ongelooflijke geloof in die klasse, dat is noodzakelijk en dat moeten we leren ontdekken. Dat kun je leren ontdekken door ervaring en door studie.

Bij het einde van dit boek heb ik dan ook een gevoel van trots en van dankbaarheid tegenover al wie onze wegen doorkruist hebben. Er zijn dingen die misschien aan mensen voorbij gaan, maar aan mij niet. Zo hoorde ik onlangs iemand, een schoolmeisje, vertellen hoe ze haar vader tegenkwam op straat. Die man stond aan de overkant, hij wuifde naar haar. Hij wuifde naar zijn dochter. En dat meisje zei: ‘Kun je geloven dat ik bijna, enfin ik deed alsof ik hem niet zag want... hij had zijn klak op.’

Uit dat feit heb ik geleerd dat er weinig mensen durven te zijn en te zeggen wie ze zijn.

En dat is eigenlijk het hele betoog van dit boek. De fierheid van de klasse. Waarom je trots bent tot die klasse te behoren. Trots om te zeggen wat uw beroep is, niet beschaamd te zijn ook al is dat beroep ‘arbeider’. Om nog eens terug te komen op dat meisje dat niet durfde spreken tegen haar vader. Als ik in de plaats van die arbeider, die vader van dat meisje zou zijn, dan zou ik het volgende doen. Ik zou zeker wuiven naar haar, met mijn ene hand. Mijn andere hand zou ook omhooggaan. Die andere hand zou echter een vuist maken. Een geheven, gebalde vuist. Een vuist voor al het onrecht dat de werkende klasse is aangedaan. En nog aangedaan wordt.

Mijn klasse heeft een naam.
Dat roep ik vandaag uit:
kameraden, onze klasse heeft een naam!

IV. Woorden en daden - Boven

Als arbeider ben je geen briljant secretariaatswerk gewend. Toch hielden we alle documenten bij...’

1. Solidariteit - Boven





 

2. Eenheid ABVV-ACV - Boven

 

3. Verdedigen van de délégués - Boven

Voorbeeld van hoe de arbeiders met succes kunnen strijden voor de bescherming van hun délégués

Augustus 1976.

Etienne Lauwaert, délégué van de veiligheid, verrichte een werkzaamheid om een ontoelaatbare onveilige toestand op te lossen. Normaal gingen de onderhandelingen over veiligheid eerder vlot. Maar deze keer wilde de directie van geen veiligheidsargumenten weten.

Daarom nam Etienne, die daarvoor geschoold was, zelf het initiatief om het schip veilig te maken. Hij werd onmiddellijk bedreigd en beschuldigd van ‘beschadiging van het schip’. De overige délégués kwamen hun kameraden ter hulp en mobiliseerden met succes de arbeiders om Etienne te verdedigen.

4. De acties

Het probleem van de onderaanneming: het bereikte akkoord voor de arbeiders van de firma’s Secometal en Mühlhan.



 

5. Voor een democratische vakbeweging - Boven


 

De schokacties tegen Intergarde kregen wel de vollledige steun van de vakbondsleiding. Maar men betaalde, steunend op hun statuten, geen stakingsuren uit. Alleen stakingsdagen. Hierover schreven de délégués volgende brief:



 

6. Voor een antikapitalistische vakkbond - Boven

7. KWB en nationale ACV-leiding metaal - Boven




8. Nelen - Boven

Victor Nelen schreef het boekje Tien jaar boel bij Boel. Hij is afgevaardigde beheerder van de Boelwerf en schreef deze brochure na de staking van 1981.

Tien jaar boel te Boel: een ronkende titel; in feite is het een klaaglied van een bourgeois die van pagina één tot het einde jammert dat er teveel democratie is.

Hij stelt voor iedereen die het horen wil dat het kapitalisme niet kan overleven met echte democratische structuren. Want de weinige democratie die onder het kapitalisme bestaat werd door de arbeiders van Boel aangewend om eerst met progressief-christelijke beginselen en later revolutionaire ideeën voor de arbeidsrechten op te komen. 10 jaar boel bij Boel is een roep naar afbraak van democratische rechten. Het boekje richt zich tot de medebourgeois en wil dienen als negatieve les: wordt niet als Boel en breek vanaf de start van het bedrijf het stakersrecht af. Wordt niet als Boel, bedenk van in het begin vernuftige managementsystemen... wees vooral zo blauw als Margaret Thatcher. Want niettegenstaande tien jaar boel bij Boel gaan de zaken voor de patroon goed, getuige daarvan één van de uitgekozen citaten die we afdrukken. Het gaat goed bij Boel... of bij de nevenbedrijven die de familie Saverijs heeft opgericht.

Vanaf eind jaren zeventig neemt het boekje een andere wending. Saverijs is rijk genoeg geworden aan de scheepsbouw, hij gaat verder, elders.

Misschien zelfs daar waar hij minder last heeft van dat strijdsyndicalisme. Want boven alles is dat de betekenis van het boekje. Een van de grootste bourgeois van ons land die actie na actie de duimen moest leggen voor het strijdsyndicalisme.

En daarom blijkt dat de herstructurering en het liquideren van de scheepsbouw enkel kan worden doorgevoerd door een zorgvuldig voorbereidde vakbondsmoord. Boel kon maar afslanken enz. als die vakbond daar weg was. Centraal daarin was dat Boel het ‘hoofd van Jan Cap wilde’. De nationale ACV-leiding heeft de vuile job voor Saverijs geklaard. Maar door Cap af te zetten als hoofddélégué was het niet gedaan en dus moesten ze hem van vandaag op morgen afdanken, hetgeen gebeurde in februari 1986. Een paar maanden later lagen alle saneringsplannen open en bloot op tafel.

Jan Cap en zijn kameraden hadden het voorspeld; en het was uitgekomen. Maar het was nog niet te laat. Het ABVV hergroepeerde het arbeidersverzet te Boel. Maar ook zij worden gewoon onthoofd. Alle actieve ABVV’ers worden gewoonweg afgedankt. Zo sterk is de invloed van de strijdsyndicalisten op alle boelarbeiders. Alleen door alle voormannen te ontslaan hoopt Saverijs zijn gang te kunnen gaan. Maar hij vergist zich. Zelfs in de huidige moeilijke omstandigheden blijven de voormannen hun verantwoordelijkheid tegenover de klasse opnemen.

Of... zoals Nelen zelf eindigt met zijn boek ‘Hier eindigt voorlopig ons verhaal...’

Neen, Mijnheer Nelen, het is niet gedaan. En het zal nooit gedaan zijn, zolang er in de gehele wereld mensen rondlopen die uitbuiten, zal het niet gedaan zijn, want steeds zal de uitgebuite zich rechten, ook al is het in moeilijke omstandigheden.

Tien jaar boel bij Boel door Victor Nelen

Na de vijf maanden durende staking die ons bedrijf deze zomer heeft gekend, klinkt de naam BOELWERF overal als een klok. Zowel in werkgevers- als in vakbondsmiddens werd het verloop van het Boelwerfconflict van zeer nabij gevolgd. (...)

Om waar mogelijk misverstanden en verkeerde instellingen van zaken recht te zetten, hebben wij beslist de hierna volgende tekst te publiceren. Wij geloven tevens dat het nuttig kan zijn onze ervaringen met anderen te delen. (...)

Vanaf dat ogenblik is op de werf een systematische tegenwerking en beknibbeling begonnen van al wat leiding en gezag vertegenwoordigde... (...)

Het neemt wel wat tijd in beslag, maar het loont de moeite om enkele van onze conflicten van de jaren ’70 wat nader te bekijken, want zij vormen hoe dan ook de voorgeschiedenis van de recente vijfmaandenstaking. (...)

Gedurende het jaar dat daarop volgde, waren de délégués nogal braaf en in september 1972 was de sociaal bemiddelaar, die de verzoening tot stand gebracht had, van oordeel dat ze verder vertrouwen verdienden en op zijn sterk aandringen, alsook onder druk van de hogere vakbondsleiding, werden de strafbepalingen voorzien voor het geval dat de délégués de geschillen procedure niet zouden naleven, geschrapt. Het is later gebleken dat dit een vergissing was, want zelden of nooit werd de overeengekomen procedure nog nageleefd. (...)

1975-1976

In maart 1975 beging de werf een nieuwe flater, de grootste, naar mijn mening uit de geschiedenis van de werf. (...)
In flagrante schending van de uitdrukkelijke bepalingen van het werkhuisreglement zorgde Jan Cap ervoor dat de arbeiders, werkzaam aan boord van een schip dat in de namiddag te watergelaten moest worden, weigerden in de eerste ploeg op te komen. Met veronachtzaming van alle veiligheidsmaatregelen bezette hij met een honderdtal militanten de helling en belette de stapelloop. Hij werd op staande voet ontslagen, na ruggenspraak met een hooggeplaatst vakbondsleider van het ACV.
Edoch, in de daarop volgende uren werd de directie onder een voorheen nooit gekende druk gezet, zowel door ministers als door de hoogste vakbondsinstanties (‘wie aan Jan Cap raakt, raakt aan het ACV’), zelfs door onze eigen beroepsorganisaties zoals Fabrimetal en het toenmalige Verbond van de Belgische Nijverheid.
De directie gaf toe... en verloor meteen alle gezag bij de werknemers! ‘Als dat allemaal kan’, zeiden de arbeiders, ‘dan weten wij wel wie hier de sterkste is’. De ontgoocheling was groot bij meesters en brigadiers en ook het vertrouwen van het kaderpersoneel was diep geschokt. (...)

De Zeemacht had bijna 3 weken nodig om tot een besluit te komen hoe het nu verder moest: moest Intergarde blijven, of zou de Zeemacht het zelf doen (er waren voldoende miliciens aan boord), of mocht een bewaker van Boelwerf daartoe aangesteld worden.
Uiteindelijk werd het dit laatste, maar ondertussen waren de militanten ervan overtuigd dat ze de directie moeiteloos op de knieën gekregen hadden. Zij leefden in een zegeroes en vandaag nog vertonen zij films en dia’s over die roemrijke dagen. Het kon niet anders of er moest een nieuwe confrontatie komen.
En die kwam spoedig. (...)

Het is zo dat sedert het einde van de vijftiger jaren de werf steeds maar gegroeid was en de personeelssterkte alsmaar toegenomen, tot 3.085 in maart 1976. Toch begon ook bij ons de crisis in de scheepsbouw duidelijk voelbaar te worden en ons orderboek verminderde zienderogen. (...)

Onderhandelingen over een dergelijk programma konden onmogelijk tot een overeenkomst leiden en in februari 1977 ging de staking van start. De acties werden uitgevoerd op een perfide manier: iedere dag staakte ongeveer 1/3 van de arbeiders terwijl de overigen opkwamen om te werken, volgens een beurtrolsysteem. Maar de beurtrol — die iedere dag veranderde — werd door het stakerscomité zodanig opgesteld dat wanneer de kraanmannen werkten er geen aan pikkers waren en terwijl de lassers staakten, de monteerders zgn. moesten werken. De bedoeling was duidelijk: het bedrijf grondig ontredderen met zo weinig mogelijk kosten voor de vakbond! (...)
In februari 1979 kwam de gewestelijke cao voor het Waasland tot stand voor een duur van 2 jaar, t.t.z. tot einde 1980. De militanten van Boelwerf waren de enigen om die cao te verwerpen en legden zich slechts kwaadschiks bij de meerderheid neer. De sociale vrede, door die cao gewaarborgd, werd in de loop van 1979 dan ook herhaaldelijk geschonden, nu eens door de stellingmakers, dan door de monteerders, dan weer de lassers, de ontroesters, de buizenleggers, enz. (...)

Het was voor niemand op het bedrijf, ook voor de vakbonden niet, een geheim dat in de loop der voorbije jaren een teveel aan werknemers aangekweekt werd, o.a. door het in dienst houden van medische en sociale gevallen, terwijl ook de natuurlijke afvloeiing onvoldoende was om de verminderde personeelsbehoefte van het teruglopende orderboek te compenseren. In goede tijden kan een groot bedrijf zich zoiets permitteren, maar dat gaat niet langer als het slecht begint te gaan. (...)

Ondertussen waren er geen rechtstreekse contacten tussen directie en vakbonden, maar wel bemiddelingspogingen o.m. vanwege bepaalde ministers, maar het bleek al spoedig dat die een andere taal spraken naargelang ze met ons dan wel met de arbeiders praatten. Een zelfde indruk deden wij op uit informele contacten met de hogere vakbondsleiders: die hadden wel oog voor de moeilijke situatie van de scheepsbouw, die zagen wel in dat Fabrimetal met het conflict niets te maken had, die waren ook de dictatuur van de militanten (zij noemen dat het anarchosyndicalisme) grondig beu, maar zij slaagden er niet in de stakingsleiders tot rede te brengen. Die waren blijkbaar nog niet rijp. (...)

Een fel opgemerkte toespraak van senator John Van den Eynden, provinciaal secretaris van het ABVV, viel bij de Boelmilitanten niet in goede aarde. Het was het eerste teken in het openbaar van de groeiende onenigheid tussen de vakbondsleiding en de plaatselijke delegatie. De in het vooruitzicht gestelde solidariteitsstakingen kwamen er niet. (...)

Opvallend was de houding van de rijkswacht, die hoe langer hoe meer mensen en materiaal ter plaatste bracht, maar zich zeer afzijdig hield en op sommige ogenblikken zelfs de werkwilligen achteruit dreef om te beletten dat ze met de piketten in contact zouden komen. (...)
Hiermee eindigt voorlopig het verhaal, maar daarom niet onze moeilijkheden. Want onze militanten beschouwen zich zeker niet als verslagen, wel als verraden, in de rug geschoten. En sedert het einde van de staking zijn er geen vijf dagen geweest waarop zij niet ergens in het land optraden als gevierde helden en martelaars van de strijd tegen het duivelse patronaat. (...)
Tientallen keren hebben zij de cao overtreden, zonder de minste scrupules, maar diezelfde cao wordt plots heilig en onaantastbaar wanneer de werkgever, in hun ogen althans, de werkzekerheidsclausule schendt. (...)

Maar wij moeten voor de toekomst ons wel bewust zijn van de noodzaak om de inhoud van een cao duidelijk en zonder achterpoortjes op te stellen. Voor de massa betekent werkzekerheid dat er niet mag afgedankt worden. Punt. En alle ‘behalve’, ‘tenzij’, enz... tellen niet mee. (...)

Over de rol van de tv hebben wij het reeds even gehad, maar wij moeten toch nog eens onderstrepen dat de volledige tv-berichtgeving, met uitzondering misschien van een Panorama-uitzending totaal niet objectief was. (...)

Ook de geschreven pers bleek over het algemeen niet aan onze kant te staan, alhoewel de journalisten die toch echt geïnformeerd wilden worden (en die waren er gelukkig ook) deze informatie bij onze nog jonge persdienst vlot konden krijgen. (...)

Want het is altijd zo in een grote staking dat er een rijpingsproces is. Probeert men té vroeg, d.i. vóór dat de geesten rijp zijn, dan verschuift het rijpheidsmoment. En eens dit moment voorbij, dan verharden de geesten. Dit is volgens mij in ons conflict gebeurd. De situatie was naar mijn oordeel rijp op 22 juni en indien minister Busquin de maatregelen van de burgemeester van Temse, die de rijkswacht gevorderd had om de openbare toegangen tot de werf vrij te houden, indien de minister die vordering niet herroepen had, dan was de staking naar mijn overtuiging twee maanden vroeger beëindigd geweest.
En om te eindigen tenslotte de bedenking dat de macht van de militanten over de mensen toch nog enorm groot is. Deze staking was niet sympathiek, ook niet bij de meerderheid van de arbeiders. En toch zijn de militanten erin geslaagd ze te doen marcheren voor hun strijd om de macht, voor hun confrontatie met het patronaat! (...)

Wij kunnen daaruit alleen maar besluiten dat er geen middelen mogen gespaard worden om de mensen zodanig te informeren en te begeleiden dat de militanten de wapens uit handen worden geslagen en het anarchosyndicalisme de kop indrukt. Dan pas bestaat er misschien een kans om weer een ernstig overleg op gang te brengen.

Boven